75. Echte en verbeelde waarheid

Hoe kan therapie genezen 75.

Nu wil ik mijn naam eer aandoen als Candida Albicans Blanchefleur, en zo meteen een mooie Witte Bloem aan je geven. Eerst wil ik je aandacht vragen voor een probleem over de waarheid en impact van traumatische ervaringen. Voor mij is het belangrijk om dit probleem zo goed mogelijk te verhelderen, ook al kan ik misschien niet helemaal de juiste woorden vinden om het over te brengen.

Al eerder kwam er een verschil van mening naar voren tussen twee verschillende groepen therapeuten. Aan de ene kant zijn er therapeuten die geloven dat je eigen interpretatie, emotionele inkleuring, idealisering en fantasie van de werkelijkheid een belangrijke oorzaak is van trauma’s en psychische klachten. Ik denk bijvoorbeeld aan Karen Horney (blog 6), Melanie Klein (blog 17) en de cognitieve therapeuten als Beck (blog 27), of aan de wetenschapper Merckelbach (blog 55) en de neuroloog Babinski (Blog 56).

Aan de andere kant heb je therapeuten die geloven dat de trauma’s echt en reëel zijn. Ze geloven dat echt gebeurde akelige ervaringen in je jeugd zoals verwaarlozing, buitensluiting en misbruik oorzaak zijn van deze trauma’s. Ze kunnen diepe, emotionele, onbewuste sporen nalaten, die soms als waarheid boven tafel komen. Ik noem dan Kohut (blog 3), Freud (blog 9), Bowlby (blog 19), Shapiro (blog 51) en Ruppert (blog 57) .

Ik denk eigenlijk dat ze allebei gelijk hebben. Een trauma kan ontstaan door een juiste interpretatie, maar ook door een verkeerde interpretatie van de werkelijkheid. Een trauma kan zelfs ontstaan door suggestie of verbeelding. De oorzaak van het trauma maakt echter niet uit voor de ervaring. De ervaring van een trauma is niet minder erg of minder waar.

Je kunt je iets verbeelden bijvoorbeeld dat je broer of zus de pik op je heeft en niet van je houdt, en daardoor een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren. Je beleeft dat echt, ook als de afwijzing zelf door verbeelding of een verkeerde interpretatie is ontstaan.

Een kind kan het bijvoorbeeld als traumatisch hebben ervaren dat ze naar een internaat gestuurd is omdat ze geloofde dat ze een lastig en onwelkom kind was. In werkelijkheid hield de moeder misschien weldegelijk van het kind, maar was ze niet sterk genoeg om voor haar te zorgen. Daarmee is de ervaring van het kind die het wegsturen naar het internaat als afwijzing of buitensluiting ervaren heeft, echter niet minder ernstig.

Een pijnlijk gevoel is geen verbeelding

Voor de ervaring maakt het niet uit of iets een werkelijke of vermeende afwijzing is geweest. Ik wil daarom graag voorstellen dat we er van uitgaan dat de emotionele gebeurtenis waarover een cliënt vertelt, waar gebeurd is. De al dan niet gekleurde waarneming van die gebeurtenis wordt namelijk door die persoon echt op dat moment waargenomen en vooral gevoeld.

We kunnen die eigen emotionele werkelijkheid van de cliënt voor waar aannemen. Hij heeft het echt ervaren en het is echt gebeurd. Een kind kan de slagen van zijn vader die bedoeld werden als opvoedend of begrenzend als vernederend of kleinerend hebben beleefd. Een kind waarvan de ouders regelmatig suggereren dat het dom is of lelijk, zal dat geloven en een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren.

We kunnen de beleving van de cliënt als waarheid aannemen en zijn pijnlijkste gevoelens door afwijzing van vader of moeder, of er niet bij te horen, ontvangen en laten spreken. Bovendien laten de gevolgen van gebeurtenissen, die als traumatisch zijn ervaren, bewust dan wel onbewust allerlei aantoonbare sporen na in de hersenen. Die sporen kunnen pas veranderen nadat ze erkend worden als waar ervaren, en serieus genomen zijn.

Een beleefde gebeurtenis is een werkelijke gebeurtenis

Hoe bedoel ik dat, de eigen emotionele werkelijkheid voor waar aannemen? Hoe precies kan de eigen emotionele werkelijkheid waar zijn? Eigenlijk kan dat vrij eenvoudig. De werkelijkheid wordt voortdurend gekleurd door onze emoties vaak zonder dat we het in de gaten hebben. We denken dat we iets neutraal waarnemen, maar dat is meestal juist niet het geval.

Denk bijvoorbeeld eens aan een prachtige Witte bloem die ik jou cadeau geef. Ik heb hem speciaal voor jou gekocht. Ik heb de mooiste, witte bloem die ik kon vinden in de bloemenwinkel voor je uitgezocht. Ik dacht of verbeeldde me dat jij de bloem heel mooi zou vinden. Ik voelde me daarbij heel prettig en dacht er aan hoe jouw gezicht zou stralen als ik je de bloem gaf. Die emotie gaf me een goed gevoel en veroorzaakte kleine chemische reacties en golven in mijn hersenen. Dat is wetenschappelijk tegenwoordig zelfs meetbaar en zichtbaar te maken. Die emotie gebeurt echt.

Op het moment dat ik je de prachtige, witte bloem geef, voel ik me weer zo, prettig en stralend. Jij voelt dat helaas niet. Jij ziet alleen een enkele witte bloem en je had eigenlijk liever een grote bos rode rozen gehad. Jij voelt niet hetzelfde als ik. Je bent teleurgesteld en kijkt nauwelijks naar de bloem en ook niet naar mij. Ook die emotie gebeurt echt. Ik voel me nog stralen en jij voelt teleurstelling door dezelfde witte bloem.

We ervaren allebei een andere emotionele werkelijkheid die echt gebeurt op hetzelfde moment. Er zijn twee echte, maar verschillende ervaringen naar aanleiding van dezelfde witte bloem. De eigen emotioneel gekleurde werkelijkheid is gewoon een objectief met meetinstrumenten aantoonbare en voelbare gebeurtenis van chemische reacties in het lichaam.


Inleven in andermans werkelijkheid

Even later vang ik je blik en ik zie je teleurstelling. Ik zou je kunnen vragen naar wat je voelt, en je zou me, als je durft, dan jouw ervaren werkelijkheid kunnen vertellen. Die ervaring is geen verbeelding, je hebt het net zelf gevoeld. En misschien zou ik hetzelfde kunnen gaan voelen, als je me vertelt waarom je een bos rode rozen had verwacht in plaats van een enkele witte bloem. Dan hebben we even een gemeenschappelijke waarheid.

Zo kun je ook het verschil in beleving begrijpen tussen een kind dat geslagen werd en zijn vader die het kind terecht wees. Misschien kunnen we dat verschil nog achterhalen als het kind en vader met elkaar spreken en uitwisselen wat ze hebben ervaren. De vader kan vertellen waarom hij het kind sloeg, bijvoorbeeld met een goede bedoeling om het kind te begrenzen en normen te leren, of met minder goede bedoelingen, bijvoorbeeld omdat zijn vader het zelf ook deed, of omdat hij te dronken was en zich niet kon beheersen.

Er is zeker een verschil tussen een pak slaag van een dronken vader of van een dominant, begrenzende vader. Een kind zal dat onderscheid echter vaak niet kunnen maken. Het kind kan wel van zijn kant vertellen hoe hij het ervaren heeft en bij hem is binnengekomen, bijvoorbeeld als een terechte correctie, een bedreiging, een afwijzing of vernedering.

Als een kind eerlijk durfde te vertellen hoe hij zich voelde na een pak slaag en een vader zou ook eerlijk vertellen waarom hij het pak slaag heeft gegeven, dan kan er een wederzijds begrip ontstaan en een gezamenlijke waarheid. Er ontstaat een uitwisselen van ervaringen en een verdieping van contact in plaats van het eenrichtingsverkeer van ouder naar kind.

Blanchefleur Johnston Blanchefleur Johnston

 

Advertenties

55. Trauma als gevolg van inbeelding of suggestie

Hoe kan therapie genezen 55.

Sommige wetenschappers menen dat veel trauma’s in de jeugd eerder het gevolg zijn van inbeelding of fantasie dan van werkelijke, traumatische gebeurtenissen. Ik heb er zelf tamelijk veel moeite mee om zo te denken. Ik zie voor me hoe er nog steeds gedragswetenschappers bezig zijn een geïsoleerd stukje brein te bestuderen. Dat zijn misschien dezelfde wetenschappers die denken dat emotionele problemen ergens tussen je oren zitten.

Toch wil ik het idee dat trauma’s het gevolg kunnen zijn van inbeelding of fantasie verder toelichten, omdat het een belangrijke gedachtegang vertegenwoordigt. Je komt het nog regelmatig tegen bij bepaalde wetenschappers en psychologen.

De wetenschapper Merckelbach heeft bijvoorbeeld sterk het idee dat trauma’s te maken hebben met een grote fantasie of inbeeldingsvermogen. Hij legt zijn idee over oorzaken van jeugdtrauma’s uit in het artikel ‘Waar dissociatie vandaan komt, het schemergebied tussen waken en slapen’ (Van der Kloet en Merckelbach, 2010).

Het komt er op neer dat een jeugdtrauma volgens hem vaak geen trauma is, maar een gevolg van suggesties door een therapeut bij mensen die daar gevoelig voor zijn. Hij gaat er daarbij vanuit dat er een verband is tussen gevoeligheid voor suggestie en het vermogen tot dissociëren. Voor ik zijn bijzondere redenatie weergeef, zal ik eerst kort uitleggen wat dissociëren is.

Dissociatie kun je zien als het afstand creëren naar of afsplitsen van je gevoel zodat je het op dat moment niet hoeft te voelen. Dit wordt gezien als een verdedigingsmechanisme of afweermechanisme tegen nare emotionele of fysieke gevoelens (Freud, 1965). Dissociatie komt in lichte vorm bij iedereen wel voor, maar vooral, en in veel grotere mate, bij cliënten met ernstige psychische klachten. Het komt ook veel voor bij traumatische gebeurtenissen.

Dissociatie en automatische processen

Merckelbach twijfelt er echter aan of dissociatie een verdedigingsmechanisme is. Hij veronderstelt dat dissociatie eigenlijk een vrij normaal proces is. Iedereen doet dit in meer of mindere mate. Veel processen zijn gedissocieerd of afgesplitst. Ze vinden automatisch plaatst en dat is maar goed ook. Lopen, schrijven, typen, fietsen, sporten, autorijden kunnen we het best als we er niet bij hoeven nadenken.

Sommige mensen kunnen volgens Merckelbach veel makkelijker dissociëren dan anderen mensen. Zij kunnen veel processen onbewust of automatisch laten verlopen. Ze kunnen zich makkelijk overgeven en automatisch doen wat er gezegd wordt zonder er bij na te denken. Dit zijn vaak mensen die ook gevoelig zijn voor hypnose en suggesties, en vaak fantasierijk kunnen vertellen over hun verleden. Bij cliënten met ernstige psychische klachten komt deze combinatie van dissociatie, gevoeligheid voor suggesties en een beeldende fantasie veel voor.

De redenatie is dan dat deze cliënten zo gevoelig zijn voor suggestie dat ze therapeuten bijna onvoorwaardelijk geloven. De suggestie van de therapeut dat iemand door de opvoeding zwaar beschadigd kan zijn, roept bij dit type cliënten soms heftige reacties op. Dit wordt dan door therapeut als bewijs gezien dat de cliënt als het kind inderdaad getraumatiseerd is geraakt.

Merckelbach zegt dat trauma’s op deze manier makkelijk kunnen worden aangepraat via therapie. Of te wel, hij gaat er vanuit dat veel jeugdtrauma’s vooral voortkomen uit een rijke fantasie, gevoeligheid en verbeelding van kinderen.

In andere woorden, een cliënt is niet vatbaar voor suggesties omdat hij kwetsbaar is vanwege eerdere trauma’s zoals andere therapeuten menen. De cliënt is vatbaar voor suggesties omdat hij van nature al gevoelig en fantasierijk is. De emotionele problemen en trauma’s ontstaan daarbij door een te grote verbeelding van wat er werkelijk gebeurd is.

Door de suggestibiliteit en gevoeligheid van de cliënt worden relatief gewone gebeurtenissen, zoals afwijzing door een dierbare of te weinig aandacht van ouders, tot trauma’s benoemd. Trauma’s kunnen volgens hem daarom juist worden aangepraat of gesuggereerd.

Ik vind het belangrijk dat iedereen voor zich de woorden en ideeën van anderen op waarde weet te schatten. Ik noem zijn ideeën ook omdat hij volgens mij wel iets belangrijks toevoegt aan het begrip van verwerking van emoties. Ik laat Merckelbach nog even verder aan het woord. Hij gaat namelijk nog een stap verder en komt met een eenvoudige, interessante oplossing voor trauma’s.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston

Literatuur
Freud, S. (1965/1910). The Origin en Development of Psychoanalysis. Washington: Gateway Editions.
Kloet, D. van der, en Merckelbach, H.I.J.G. (2010). Waar dissociatie vandaan komt –  het schemergebied tussen waken en slapen, GZ-psychologie 7 (nov., 12 -21).