72. Genezen van psychose, schizofrenie of waanzin?

Hoe kan therapie genezen 72.

Voor sommige ernstige, psychische klachten hebben we een heroïsche aanpak nodig. Hoe kunnen psychologen en psychiaters cliënten met ernstige klachten zoals langdurige persoonlijkheidsproblematiek, psychose, wanen, dissociatieve stoornissen of schizofrenie helpen genezen?

Daar wil ik nog bij stil staan, omdat juist bij dergelijke cliënten werkelijk alle mogelijke beproefde en onbeproefde methoden nodig zullen zijn om voor hen iets te kunnen betekenen. Alles, maar dan ook alles, wat een therapeut in huis heeft, wordt door dergelijke cliënten op de proef gesteld.

De Britse psychoanalyticus Darian Leader (2012), beschreef in zijn boek ‘Wat is waanzin?’ hoe hij cliënten met wanen, psychose of schizofrenie steunt en behandelt: er bestaat domweg geen formule voor. Wat in de relatie tussen de psychoanalyticus en de psychoticus gebeurt, moet per cliënt opnieuw worden overdacht en uitgevonden.

Wel noemt hij een aantal dingen waarmee rekening gehouden moet worden omdat ze een psychose of wanen kunnen uitlokken of verergeren zoals een autoritaire of deskundige houding, dogma’s en vooroordelen van de therapeut, het proberen een norm op te leggen of het gedrag te normaliseren.

Hij merkt op dat de genezing van veel schizofrene cliënten wordt bepaald door de mate waarin de therapeut vrij is van conventionele opvattingen en vooroordelen. Deze cliënten moeten zelf kunnen uitvinden wat hun bevrediging en geborgenheid schenkt zonder schade voor hun medemens en ongeacht wat buren, familie en de publieke opinie er van denkt.

Een interessante uitspraak vind ik in dit verband dat volgens hem tegenwoordig bijna elke therapeut of analyticus psychotische cliënten in zijn praktijk heeft, al is de therapeut noch de cliënt zich daarvan bewust. Zijn ervaring is dat wanen bij veel mensen voorkomen zonder dat dit direct opvalt. Het vormt vaak een goed bewaard geheim.

Onbegrijpelijke, verwarde binnenwereld leren delen

Niet het verhaal en theorie van de therapeut, maar de mogelijkheid voor de cliënt om zijn eigen gedachtewereld, hoe ingewikkeld of onbegrijpelijk ook met iemand te delen vormt hier de kern van de behandeling.

De therapeut heeft daarbij de functie van ontvanger, van een betekenisvolle ander die bereid is om ontvankelijk te zijn voor de cliënt en zijn verhaal aan te horen, in te leven en te begrijpen. Wat een ouder vroeger niet heeft gekund, het horen, zien en ontvangen van het kind zoals het is en mag zijn, kan worden ingehaald.

Maar wat er ook gebeurt, volgens Leader is het cruciaal dat de therapeut oog heeft voor de herstelpogingen van de cliënt, namelijk zijn pogingen om betekenis te verlenen, om bruggen te bouwen tussen ideeën, of nieuwe levensstijlen bedenken. Deze pogingen kunnen overkomen als merkwaardig, onwaarschijnlijk of eigenaardig, ze geven echter blijk van een authentiek scheppingsvermogen.

Er bestaat daarbij wel het gevaar dat deze relatie allesomvattend, opslurpend en uitputtend wordt (Leader, 2012). Vaak wordt er daarom eerder een heel team ingezet dan in plaats van een therapeut, waarbij dan wel een vaste therapeut de taak van belangrijkste hechtingsfiguur op zich neemt.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Leader, D. (2012). Wat is waanzin? Amsterdam: de Bezige Bij.

66. Yalom: therapie als geschenk

Hoe kan therapie genezen 66.

Irvin Yalom, een Amerikaanse psychiater heeft zowel technische leerboeken als een aantal fraaie romans geschreven over het therapeutisch proces en hoe therapie kan genezen. In ‘Therapie als geschenk’ (Yalom, 2002) zet hij op een rij waar therapie volgens hem uit bestaat en welke therapeutische interventies allemaal kunnen werken.

De kern? Empathie: kijk uit het raam van de cliënt naar buiten. Ontwerp voor iedere cliënt een aparte therapie. Neem je analyses niet te serieus. Erken je fouten. Neem zelf individuele therapie.

Hij laat anderen zien dat wij allen, zowel therapeuten als cliënten, gebukt gaan onder pijnlijke geheimen zoals schuldgevoel over dingen die we hebben gedaan, schaamte over dingen die we hebben nagelaten, de hunkering naar liefde en geborgenheid, onze grootste kwetsbaarheden, onzekerheden en angsten.

Als schatbewaarder van geheimen is hij in de loop der jaren zachtaardiger en toleranter geworden. Als hij nu mensen ontmoet die hoog van de toren blazen en zichzelf voortdurend op de borst kloppen, of mensen die door een van de vele verscheurende passies worden verteerd, dan voelt hij de pijn van hun onderliggende geheimen. Hij heeft dan geen neiging tot oordelen, maar tot compassie en verbondenheid. Dit spreekt mij bijzonder aan. Ook uit zijn manier om over therapie te vertellen en de vele technieken die hij beschrijft, spreekt een grote compassie met de psychotherapie.

Het hoogste belang van het hier-en-nu

Van alle technieken geeft Yalom (2002) aan dat het hier-en-nu een van de belangrijkste bronnen is voor therapeutisch succes. Wat er tijdens een sessie in het nu tussen de cliënt en therapeut gebeurt, vertelt namelijk erg veel over de problemen van de cliënt. Menselijke problemen hebben volgens hem hoofdzakelijk te maken met relaties met anderen.

De relatie die zich manifesteert tussen de cliënt en de therapeut weerspiegelt het gedrag en de problemen die de cliënt ook met anderen zal ervaren. Hoe een cliënt groet, gaat zitten, begint, vertelt en afsluit geeft al heel veel informatie over hoe het zijn innerlijke, onbewuste wereld projecteert op die van de therapeut.

Ook de gevoelens die een cliënt bij de therapeut in de sessie oproept, geven een schat aan informatie. Het benoemen ervan kan een doorbraak in de therapie betekenen. Een cliënt die keer op keer een soort verveling oproept, zal ook bij andere mensen regelmatig die verveling kunnen opwekken.

Door het op een niet bedreigende manier bespreekbaar te maken kan een cliënt gaan ontdekken op welke manier hij dit per ongeluk opwekt, en wat hij daarin kan veranderen. Het belang van het ontwikkelen van voelhorens voor de gevoelens die een cliënt in de therapeut opwekt, heb ik nog niet vaak zo helder beschreven gezien.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Yalom, I.D. (2002). Therapie als geschenk. Amsterdam: Balans.

65. Pesso: aan den lijve of lichaamsgerichte psychotherapie

Hoe kan therapie genezen 65.

Pessotherapie wordt in Nederland steeds bekender. Albert Pesso en Diane Pesso-Boyden zijn de Amerikaanse grondleggers van deze lichaamsgerichte vorm van psychotherapie. In Amerika heet het Pesso-Boyden System Psychomotor, ofwel PBSP. In het boek ‘Aan den lijve’ over Pesso-psychotherapie (van Attekum, 1997) wordt het doel van deze psychotherapie mooi omschreven: weer in contact komen met de eigen zielsbewegingen en de eigen levenskracht.

De therapie is niet gericht op het oplossen van problemen, maar het in gang zetten van een proces. Of ook: beter leren voelen en een manier van leven opbouwen die beter strookt met het echte zelf. De methode maakt gebruik van psychoanalytische, gezinstherapeutische en cliëntgerichte uitgangspunten om tot één geïntegreerde behandeling te komen.

In deze therapie worden de gevoelsuitingen in het lichaam gebruikt als toegangspoorten naar de eigen geblokkeerde levensenergie. Deze gevoelsuitingen staan niet op zichzelf, ze hebben bijna altijd te maken met een ander. De ander speelt dan ook een cruciale rol. Blokkeringen zijn het gevolg van niet gezien, niet gehoord, afgewezen, of niet genoeg ontvangen zijn als kind door belangrijke anderen. Deze onvervulde basisbehoeften van een kind liggen aan de basis van de gestagneerde levensenergie, en komen vaak tot uiting in symptomen, waar de cliënt hulp voor zoekt: vermoeidheid, verdriet, lichamelijke klachten of andere psychische problemen.

Er is een natuurlijk principe van tegemoetkoming en wederkerigheid dat zich onvoldoende heeft voltrokken in de jeugd. Dit heeft Pesso accommodatie genoemd. Deze accommodatie vormt het draaipunt van de therapie. Doordat anderen je alsnog tegemoetkomen, met jou accommoderen, wordt het mogelijk om weer in contact te komen met de oorspronkelijke interactieve energie. Verstarde gevoelens en bewegingen kunnen in het lichaam worden gevoeld, geuit en gericht worden op een ander die het nu wel kan ontvangen (Attekum, 1997).

Symbolische vervulling van gemis

Net als Ruppert (2012), die andere mensen opstelt in de ruimte om bepaalde rollen van familieleden uit te drukken, maakt Pessotherapie gebruik van rolfiguren. Pessotherapie wordt gedaan in een groep waarbij de groepsleden rollen op zich nemen om bepaalde scènes en belangrijke personen uit het leven van de cliënt uitdrukken. Dit wordt accommoderen genoemd.

Pessotherapie is daarbij overigens heel down to earth. Het gaat om het in contact komen met vaak heel pijnlijke gevoelens in jezelf, zoals gevoelens van gemis, verlatenheid, eenzaamheid of afwijzing. Het uitdrukken en ontvangen ervan door een ander die accommodeert, geeft de mogelijkheid om deze gevoelens in perspectief te plaatsen. Ook kan er een andere afloop gemaakt en uitgebeeld worden waardoor je basisbehoefte als kind alsnog symbolisch vervuld kan worden.

Door een andere afloop te ervaren zowel in woorden als lijfelijk, kun je een meer positieve en realistische beleving krijgen van jezelf en anderen. Daarmee open je een perspectief op meer bevredigende ervaringen en relaties met anderen.

Ik vind het een heel bijzondere therapie waarbij het lichaam als het ware een stem krijgt en onbewust opgehoopte spanningen gaan vertellen wat er aan de hand is. Voor mij werd nog duidelijker dat nare herinneringen niet alleen in je hersenen zijn opgeslagen maar ook in allerlei vormen van spierspanning in je lichaam.

Ik moet ook denken aan de psychotherapie van Heiligenberg, ‘Begrijp je pijn’ (2010). In die therapie worden lichaamspijnen gezien als signalen van een psychische blokkade (zie blog 30). Rugpijn, nekpijn, kniepijn of schouderpijn kunnen namelijk verbonden zijn met een specifiek besluit dat iemand nam door een moeilijke of traumatische ervaring. Zo’n besluit bestaat vaak uit een voornemen om iets, een bepaald gevoel, nooit meer te willen meemaken. Net als bij Pessotherapie wordt het lichaam als ingang gebruikt om meer te weten te komen over de onbewuste besluiten die je dagelijks leven vormgeven en beperken.

Een ervaringsgerichte therapie vind ik overigens heel wat moeilijker te beschrijven dan een theoretisch sterk gefundeerde therapie zoals de psychoanalyse. Het spijt me dat ik er niet duidelijker over kan zijn. Voelen en lichamelijk ervaren vertaalt zich moeilijk in een overzichtelijke beschrijving. Je zou het moeten meemaken om de bevrijding die het teweeg kan brengen zelf aan de lijve ter ervaren.

Laten we de schat aan ervaringen die psychotherapeuten hebben, koesteren en hopen dat ze hun schatten kunnen opschrijven en overdragen aan anderen. Hier geef ik het woord ook even kort aan Irvin Yalom (2002), die zijn kennis en ervaringen op een bijzondere, heldere toegankelijke manier kan verwoorden.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Attekum, M. van (1997). Aan den lijve, lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso. Amsterdam: Pearson.
Heijligenberg, P. (2010). Begrijp je pijn. Een nieuwe behandelmethode voor medisch niet-verklaarbare lichaamspijnen. Deventer: Uitgeverij Ankh-Hermes.
Ruppert, F. (2012). Bevrijding van trauma, angst en onmacht. Op weg naar gezonde autonomie en liefde. Eeserveen: Uitgeverij Akasha.
Yalom, I.D. (2002). Therapie als geschenk. Amsterdam: Balans.

64. Empathie en liefdevolle, reële begrenzing

Hoe kan therapie genezen 64.

Er is veel voorzichtigheid nodig van een therapeut om gevoelens die te maken hebben met onveiligheid alsnog te leren hanteren. Belangrijk daarbij is dat de therapeut iedere keer opnieuw genoeg veiligheid biedt zodat iemand zijn overlevingsstrategie niet nodig heeft en op een gezonde manier in contact kan komen met zichzelf en de ander.

Door het ervaren van empathische reacties op signalen van onveiligheid en zo de beschikbaarheid van empathie zoals Kohut (1984) het noemde, zelf te ondervinden, kan iemand op een nieuwe, gezondere manier in contact komen met zichzelf en anderen.

Het is volgens mij echter niet genoeg om empathie en veiligheid te bieden. Er is meer nodig dan empathie, namelijk het bieden van een veilige, maar reële omgeving waarin illusies en allerlei rationalisaties kunnen worden herkend en losgelaten. Om een veilige, maar realistische omgeving te bieden zag Malan (1983) het dan ook als een van de taken van de therapeut om te falen en soms te kort te schieten, waardoor de cliënt ook de reële beperkingen en grenzen van de therapeut leert kennen. Naast empathie is er liefdevolle, reële begrenzing nodig om afstand te kunnen nemen van irreële voorstellingen over hoe de wereld of andere mensen zouden moeten zijn.

Bij heel verschillende therapeuten zoals Ruppert (2012), Malan, en Horney (1991) herkende ik een dergelijk moment in de therapie waarin een wezenlijke verandering op gang komt. Dat is het moment waarop de cliënt het veilig genoeg vindt voor het onder ogen zien van nare ervaringen door ten eerste het durven aangaan en ervaren van weggestopte pijnlijke gevoelens, ten tweede het erkennen van het eigen onvermogen en falen, en ten derde het beleven van spontane, bevrijdende eigen emoties.

Veel cliënten hebben iemand nodig die hen opnieuw leert dat ze mogen falen en hoe ze op andere mensen kunnen vertrouwen zonder het eigen gevoel te hoeven afsplitsen. In therapie kan iemand alsnog leren dat veel onplezierige reacties en negatieve emoties die als in eerste instantie als overweldigend aanvoelen uiteindelijk wel te dragen zijn en dat iemand ze uiteindelijk zelf kan opvangen en begrenzen.

Onschatbare waarde van de juiste therapeut

Het dissociëren of afsplitsen van gevoelens vanwege een onveilige omgeving lijkt aan de basis te liggen van veel trauma’s en psychische klachten. Volgens Ruppert (2012) is het zelfs de belangrijkste oorzaak van psychische problemen.

De neiging om gebruik te maken van dissociatie kan naar mijn idee meerdere oorzaken hebben zoals trauma’s tijdens de opvoeding, onveilige of verwaarlozende omstandigheden, generationele trauma’s, een aangeboren sensitiviteit van de cliënt, gebrek aan sensitiviteit van de ouders, of een mismacht tussen ouders en kind. De kern daarvan is dat een cliënt zich om wat voor reden dan ook onveilig heeft gevoeld en geleerd heeft zijn negatieve emoties in bepaalde situaties te blokkeren.

Therapeuten die deze emoties kunnen begrijpen, hanteren en er laten zijn, hebben een onschatbare waarde voor kinderen en volwassenen die verlangen naar een goed, emotioneel ontwikkeld levenspad.

Het geheim van de therapie van deze therapeuten is misschien wel dat iemand op wat voor manier dan ook een beter, plezieriger, spontaan en ontspannen contact leert opbouwen met andere mensen. Pas na het voelen van de afgrond door een tijdelijke of vermeende afwijzing van de therapeut, kan de cliënt gaan beseffen wat er voor nodig is om toch met dezelfde persoon een echte relatie te onderhouden. Soms is daar een lange weg voor nodig. Door het keer op keer oefenen van dit soort contact met de therapeut kan iemand uiteindelijk gaan merken dat veel mensen minder afwijzend zijn en betrouwbaarder dan gedacht.

Naast de methode van Ruppert zijn er meer vormen van psychotherapie waarin veel aandacht is voor het ontwikkelen van een eigen veilig basisgevoel en het verwerken van vroege, negatieve ervaringen. Een daarvan spreekt mij bijzonder, namelijk de Pesso-psychotherapie (van Attekum, 1997). Dit is een moderne lichaamsgerichte vorm van psychotherapie die ruimte biedt om trauma’s aan den lijve te verwerken. Daar ga ik graag mee verder.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Attekum, M. van (1997). Aan den lijve, lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso. Amsterdam: Pearson.
Kohut, H. (1984). How does analysis cure? Chicago: Chicago Press.
Horney, K. D (1991). Neurosis and human growth, The struggle towards self realisation. New York: Norton and Company.
Malan, D.H. (1983). Individuele psychotherapie. Houten: Bohn, Stafleu, van Loghum. Ruppert, F. (2012). Bevrijding van trauma, angst en onmacht. Op weg naar gezonde autonomie en liefde. Eeserveen: Uitgeverij Akasha.

51. Shapiro: EMDR en traumaverwerking

Hoe kan therapie genezen 51.

Nog niet zolang geleden ontstond er een nieuwe therapie om trauma’s sneller te verwerken: EMDR. Deze EMDR therapie werd ontwikkeld door Francine Shapiro, een Amerikaanse psychologe die werd geboren in 1948. EMDR staat voor Eye Movement Desensitization en Reprocessing Therapie (Shapiro and Forrest, 2004).

Shapiro vertelt dat haar belangstelling voor therapie in eerste instantie ontstond vanwege persoonlijke moeilijkheden. Ze zocht jarenlang naar een effectieve methode om zelf te leren omgaan met bepaalde angsten en angstige herinneringen. Ze probeerde elke methode uit om haar angsten te verminderen. Ze verbaasde zich bovendien dat deze methoden bij het grote publiek zo weinig bekend waren.

Vanuit deze grote belangstelling studeerde ze ook klinische psychologie. Zo verzamelde ze een enorme hoeveelheid kennis en ervaring over het omgaan met allerlei soorten angsten. Tot haar eigen verbazing eindigde ze er mee om zelf een methode te creëren, die ze EMDR noemde.

De aanzet tot haar methode ontdekte Shapiro bij zichzelf tijdens het maken van een wandeling. Ze merkte een bijzonder verschijnsel op, namelijk dat haar oogbewegingen een gunstig, stress verminderend effect hadden op haar nare gedachten van dat moment. Ze vond dit zo frappant dat ze bij zichzelf ging proberen hoe dit precies werkte. Daarna vroeg ze familie, vrienden en studenten om het ook uit te proberen.

Vervolgens verfijnde ze de procedure steeds verder met behulp van eigen en andermans ervaringen, en kennis uit de verschillende therapierichtingen zoals de psychoanalyse en cognitieve therapie. Ze ontdekte overeenkomsten tussen de psychoanalytische techniek die Freud (1910) gebruikte om pijnlijk herinneringen naar boven te brengen en de EMDR-procedure. Treffend vond ik haar uitspraak dat ze op een gegeven moment aan het kijken was naar vrije associatie in turbospeed.

Ze herkende de vrije associatie-techniek die Freud had ontwikkeld (zie blog 10, overwinnen van innerlijke weerstanden), maar dan in de hoogste versnelling: de veranderingen in gevoelens en gedachten bij haar proefpersonen gingen op een gegeven moment zo snel dat ze het als het ware voor haar ogen zag gebeuren.

Uiteindelijk na uitgebreid onderzoek bij diverse cliënten lanceerde ze EMDR als een therapie voor het genezen of verminderen van klachten door traumatische gebeurtenissen en andere nare levensgebeurtenissen.


Hoe werkt de EMDR-procedure
?

EMDR wordt het vaakst gebruikt naar aanleiding van een eenmalige traumatische gebeurtenis waarbij sprake is van herbelevingen of angstige beelden in de periode na het trauma.

De procedure komt er in het kort op neer dat de traumatische gebeurtenis eerst besproken wordt. Daarna wordt er aan je gevraagd om je de gebeurtenis opnieuw voor de geest te halen. Daarbij zal de therapeut nu de eigen hand op ongeveer 30 cm voor je ogen heen en weer bewegen. Heel modern is dat de bewegingen niet meer met de hand van de therapeut gedaan worden maar door een apparaatje met led lampjes die je met je ogen kan volgen.

Er volgt zo een set van ongeveer 25 oogbewegingen per keer. Na elke set wordt er even pauze genomen. Tijdens de set van oogbewegingen komen er meestal allerlei gedachten, beelden en gevoelens boven, en soms ook andere lichamelijk sensaties.

Er wordt gevraagd wat er nu, in het heden, de ergste herinnering is van wat er is gebeurd. Daarna volgt een nieuwe set. Na elke set wordt gevraagd wat er veranderd is. Bij de volgende set richt je je op de meest opvallende verandering.

Door dit herhaald herinneren van de gebeurtenis verliest de herinnering vaak zijn lading. De herinnering verandert, de beelden verliezen aan kracht en worden vaak kleiner en waziger. Vaak komen er ook spontane gedachtes, emoties en associaties met andere gebeurtenissen boven.

Ik denk dat deze methode een betere en diepere verwerking in gang kan zetten dan bijvoorbeeld NLP (zie vorige blog). Hoe die diepere verwerking tot stand komt, kom ik later op terug. Eerst laat ik Shapiro nog even aan het woord over het succes van EMDR bij verschillende psychische klachten.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Freud, S. (1965/1910). The Origin en Development of Psychoanalysis.                 Washington: Gateway Editions.
Shapiro, F. and Forrest, M.S. (2004). EMDR, the breakthrough therapy for overcoming anxiety, stress, and trauma. New York: Basic Books.

40. Veel voorkomende fouten bij gedragstherapie

Hoe kan therapie genezen 40.

Gedragstherapie kan bij bepaalde klachten goed werken. Het staat ook bekend als een evidence based therapie, dat wil zeggen dat het een therapie is waarvan het effect wetenschappelijk bewezen kon worden. Het kan echter ook relatief eenvoudig misgaan als het niet goed wordt toegepast.

Brinkman (in Orlemans, 1993) bespreekt een aantal veel voorkomende fouten bij gedragstherapie. Een aantal van deze fouten heeft te maken met de neiging van therapeuten om te graag te willen helpen, en met de opvatting dat gedragstherapie altijd succesvol en kort behoort te zijn, zegt hij.

Een bekende fout die hij noemt, is het geven van ongevraagde adviezen. Dat zijn vaak niet meer dan borreltafelwijsheden, die de cliënt vermoedelijk al ettelijke malen gehoord heeft van anderen. Hetzelfde geldt voor wegpraten en ongevraagd relativeren van problemen die vaak een bagatellisering van de klachten zijn en een kleinering van de cliënt kunnen betekenen.

Hij noemt verder de ongevraagde optimistische voorspellingen over het verdwijnen van de klachten zoals ‘uw depressieve klachten kunnen we snel succesvol behandelen’, of ‘wij hebben veel ervaring met uw problematiek en u zult zien dat uw klachten binnenkort verdwenen zijn’. Dit soort voorspellingen zijn onmogelijk en kunnen veel teleurstelling brengen als de therapie minder snel verloopt of mislukt. Het placebo-effect van het hoop geven op verbetering heeft gedragstherapeutisch gezien weinig zin volgens Brinkman.

Ook te snel willen gaan en snel allerlei technieken zoals ontspanningsoefeningen of exposure-oefeningen willen aanleren terwijl de problemen of het probleemgedrag nog niet duidelijk is, zal vooral weerstand en onduidelijkheid in de hand werken.

Het afgeven van waardeoordelen, bijvoorbeeld het oneens zijn over hoe iemand zijn kind opvoedt, of hoe iemand met zijn partner omgaat, kan beter zoveel mogelijk vermeden worden, zeker in het eerste gesprek. Later zal daar natuurlijk wel op ingegaan worden via de functieanalyse van de klacht in samenwerking met de cliënt. Ook het niet adequaat reageren op vragen van de cliënt kan irritatie en weerstand oproepen en daarmee het vertrouwen en de therapeutische relatie ondermijnen.

Succes of verschuiving van klachten?

Brinkman relativeert verder het succes van de gedragstherapie naar aanleiding van zijn vele ervaringen met cliënten. Het is relatief makkelijk om doelen te behalen en symptomen te laten verdwijnen. Of de cliënt daarmee ook echt beter af is, vraagt hij zich regelmatig af. Vaak treden er nieuwe, andere klachten op of verschuiven de klachten. Wanneer is de therapie dan geslaagd of hoever moet je doorgaan?

Een cliënt leert bijvoorbeeld door ontspanningsoefeningen en ademhalingsoefeningen te gebruiken haar hyperventilatie te verminderen en daarmee haar angst om op straat te gaan. Door de ontspanningsoefeningen komen er echter ook hele andere emoties boven zoals een intens verdriet en verlatenheid door te weinig contact met haar partner.

Voorheen kreeg ze nog hulp en aandacht door haar angstklachten. Nu is haar man minder bezorgd waarmee een stukje aandacht wegvalt. Ze heeft niet geleerd om op een andere manier het contact met haar man te verbeteren. Het eerste probleem, straatvrees, heeft zich nu ontpopt tot problemen in de moeizame relatie met haar man.

De gedragstherapeutische behandeling van angst kan in zo’n geval als succesvol worden gezien, maar er is nu wel een partnerrelatieprobleem zichtbaar geworden. Het ontdekken van een nieuw probleem betekent echter niet dat je ook onmiddellijk aan de opheffing of verandering van dat probleem moet gaan werken (Orlemans, 1993).

De vraag die dan steeds gesteld kan worden is of de nieuwe klachten vervolgens weer effectief te behandelen zijn met gedragstherapie. Of dat er misschien een ander soort behandeling nodig is, bijvoorbeeld partnerrelatietherapie of een diepgaande psychoanalytische psychotherapie vanwege emotionele ontwikkelingstekorten zoals van Malan (1983, vanaf blog 13) of Kohut (1984, blog 3).

Wat mij aan gedragstherapie vooral opvalt, is de technische benadering die me soms ook harteloos voorkomt. En ook al staat het bekend als een van de meest wetenschappelijk gefundeerde therapieën, het werkelijke, persoonlijke effect blijkt vaak moeilijk vast te stellen. Zoals ik aan het begin van mijn verhaal zei (blog 1), vind ik wetenschap wat dat betreft ook nog veel te primitief om iets zinnigs te kunnen zeggen over de werkelijke effecten van therapie.

Er is veel meer nodig dan wetenschap alleen om therapieën op hun waarde te kunnen schatten. Een ervaren therapeut als Brinkman heeft dat uitstekend onderkend en helder onder woorden gebracht. Daar kom ik zo nog graag even op terug.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston


Literatuur
Kohut, H. (1984) How does analysis cure? Chicago: Chicago Press.
Malan, D.H. (1983). Individuele psychotherapie. Houten: Bohn, Stafleu, van Loghum.
Orlemans, J.W.G., Brinkman, W., Eelen, P., Haaijman, W.P. en Zwaan, E.J. (1993).
Handboek voor Gedragstherapie, deel 1. Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum.

33. Haast om emotionele problemen te begrijpen

Hoe kan therapie genezen 33.

Hoe mooi ik de therapie van Heijligenberg (2010) ook vind, ik kan toch niet helemaal volgen hoe specifieke pijnplekken in mijn lichaam gekoppeld kunnen zijn aan zaken die ik me heb voorgenomen (zie blog 31). Hoe zou dat toch mogelijk zijn? Ik zou het graag begrijpen en ik heb ook haast om het te begrijpen.

Ik heb zelfs een enorme haast en onrust is mij. Haast ook om te begrijpen hoe we mensen met emotionele problemen nog veel beter zouden kunnen helpen. Hoe meer we er van weten hoe beter. Ik wenste dat we als therapeuten al zover waren dat we iedereen konden helpen, en liefst ook konden genezen.

Vroeger nam ik soms een stap terug en ging op de maan staan. Mijn moeder raadde me dat aan als ik problemen te groot zag. Vanaf de maan lijkt alles klein. We lijken een zandkorrel of een zoutkristal, en niets lijkt meer belangrijk genoeg. Het gaf me een welkome adempauze om te beseffen hoe klein ik was. Daarna zag ik dingen weer in proportie en hoefde ik geen actie te ondernemen. Zo belangrijk was het niet wat ik wilde.

Ik denk er nu iets anders over. Mensen en problemen zijn klein en onbelangrijk vanaf de maan, maar vanuit dat onpersoonlijke perspectief verliest bijna alles zijn betekenis. Van dichtbij kunnen problemen groot en overweldigend aanvoelen en dan is het fijn als er iemand is, een therapeut, die je door een zee van warrige gevoelens kan loodsen naar een veiligere plek en je leert hoe je dergelijke emoties kunt hanteren of verdragen. Daarin voel ik me soms erg klein vergeleken de grote, ervaren therapeuten zoals Malan, Kohut, Horney en Beck (zie eerdere blogs).

Ik wil soms helemaal niet beseffen hoe klein ik ben vergeleken deze therapeuten om andere mensen te helpen om te veranderen. Ik heb nog teveel eigengereide gedachten en ideale wensen en heb soms moeite om uit mijn eigen denkwereld te stappen. Toch hoop ik dat ik ondanks mijn eigen persoonlijke, soms vreemde gedachtekronkels, iets wezenlijks kan bijdragen aan het welzijn van anderen. Daarom ga ik ook verder met mijn verhaal over hoe therapie kan genezen. Als je me tot hier gevolgd hebt, zal je het vervolg van mijn verhaal ook vast boeiend vinden.


Van onbewuste, verborgen patronen naar meer toegankelijke problemen

Tot nu toe heb ik het al vaak gehad over verborgen gevoelens, onderdrukte emoties, wegstopte wensen en verdedigingsmechanismen. Vanwege allerlei mechanismen die gevoelens verbergen of onderdrukken zijn veel psychische klachten vaak niet direct toegankelijk in de therapie. Vaak zal een psychodynamische psychotherapie of psychoanalytische psychotherapie nodig zijn om de complexe, onbewuste patronen in de omgang met anderen te leren doorbreken.

Er zijn echter ook genoeg psychische problemen die wel direct toegankelijk zijn voor therapie. De cognitieve therapie (Beck, 1995) gaat bijvoorbeeld tamelijk direct te werk en doet bovendien een hele goede poging om automatische, vaak onbewuste gedachten toch boven tafel te krijgen. Dat lukt soms wel, soms niet goed genoeg.

De therapie van Heijligenberg (2010) vind ik een geweldige vondst als het gaat om het benaderen van op zich moeilijke toegankelijke klachten. Mooi zoals daar via onverklaarbare pijnklachten toegang gezocht wordt tot innerlijke overtuigingen die onbewust een gezond psychisch functioneren in de weg staan.

Een wat eenvoudiger verhaal is het als het gaat om problemen waarvan iemand zich wel goed bewust is, of bijvoorbeeld als het gaat om psychische problemen door gebeurtenissen die iemand zich goed kan herinneren. Mensen worstelen met allerlei gebeurtenissen die aanleiding zijn voor allerlei bewuste emoties zoals woede, verdriet, teleurstelling of angst. Voor dat soort problemen is er een scala aan therapieën die soms heel effectief kunnen werken.

Sommige therapeuten ontwikkelden speciale technieken om bepaalde emoties te leren hanteren. Byron Katie (2002) ontwikkelde bijvoorbeeld een praktische methode om beter te leren omgaan met situaties waardoor je je erg boos of machteloos voelt vanwege een onrechtvaardigheid, oneerlijkheid, of onredelijkheid. Daar wil ik mee verder gaan.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

 

Literatuur
Beck, J.S. (1995). Cognitive Therapy, Basics and Beyond. New York: The Guillford Press. Heijligenberg, P. (2010). Begrijp je pijn. Een nieuwe behandelmethode voor medisch niet-verklaarbare lichaamspijnen. Deventer: Uitgeverij Ankh-Hermes.
Byron, K. (2002). Vier vragen die je leven veranderen. Utrecht: Spectrum.

 

 

26. Ideale afsluiting van psychodynamische therapie?

Hoe kan therapie genezen 26.

Bij cliënten met een basaal gebrek aan vertrouwen moet de therapeut steeds opnieuw als het ware bewijzen dat de therapeut de cliënt accepteert, vertrouwt en daadwerkelijk kan helpen. De aanvallen van wantrouwen kunnen dan langzaam gaan afnemen (zie vorige blog). Het is daarbij vaak al lastig om de vooruitgang te boordelen bij een cliënt. Hoe kun je dan weten wanneer er genoeg behandeld is en wanneer een therapie afgesloten kan worden?

Volgens Gabbard (2010) kan het therapieproces ook gezien worden als een doorwerken van de relatie met de therapeut tot een volwassen relatie, en als een spiegel hoe iemand vanuit zijn jeugd gewend is om met andere mensen om te gaan. De cliënt leert gaandeweg dat zijn manier van reageren weinig te maken heeft met de werkelijke reacties, maar met zijn verwachting hoe anderen op hem zullen reageren. Hij merkt steeds meer dat zijn eigen innerlijke houding en emotionele toestand kleuren hoe hij tegen anderen aankijkt. Veel van dat doorwerkproces houdt in dat je een cliënt helpt te rouwen om het verlies van onrealistische dromen en fantasieën die een volwassen contact in de weg staan.

De ideale afsluiting waarbij alle thema’s rond kinderlijke fantasieën, wensen en moeilijke relaties volledig zijn doorgewerkt, komt zo nu en dan voor ‘als het geluk de therapeut en de cliënt toelacht’. In de praktijk ziet Gabbard vaak dat de therapie op andere pragmatische gronden wordt beëindigd, zoals verhuizing, ziekte, vastgestelde vergoeding, financiële problemen en natuurlijk ook door moeite om het vol te houden of juist om het af te ronden, of van de kant van de cliënt of van de therapeut.

Weerstand, vlucht of echt genezen?
Om toch houvast te hebben om te weten wanneer een therapie afgesloten kan worden, geeft hij wel enkele aanwijzingen. In principe kan de cliënt zelf aangeven wanneer hij het goed genoeg vindt, de therapeut kan dan nagaan of de tijd inderdaad rijp is (Gabbard, 2010).

Therapeuten moeten daarbij alert zijn omdat een vraag om afsluiting ook weerstand of angst kan betekenen voor de therapie. Een therapeut kan zich een aantal vragen stellen. Rent de cliënt ergens voor weg? Is hij teleurgesteld in de therapie of kwaad op de therapeut? Vlucht hij in gezondheid? Deze vragen en eventuele misverstanden kunnen opnieuw doorgewerkt worden om uiteindelijk tot een natuurlijke afsluiting te komen. Je kunt je voorstellen dat je voor deze psychodynamische therapie, net als voor veel psychoanalytische therapieën die vaak gepaard gaan met angstige pijnlijke ervaringen, veel motivatie nodig hebt.

Soms ook raak ik ontmoedigd door de vele mogelijkheden, moeilijkheden, frustraties en pijn die zowel de cliënt als de therapeut ten deel kunnen vallen tijdens therapie. Gelukkig is dat ook niet altijd nodig. Bij minder complexe problemen kun je met andere therapieën een heel eind komen.

Er zijn veel interessante, verstandige therapieën ontwikkeld die kortdurend zijn en vaak minder pijnlijk of frustrerend voor de cliënt. Een belangrijke stroming is bijvoorbeeld de cognitieve therapie die ontwikkeld werd door Beck en anderen (1990). Ik vind dat die stroming opvallende, uitdagende en praktische antwoorden geeft op hoe therapie kan genezen.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Gabbard, G. (2010). Psychodynamische therapie in de praktijk. Amsterdam: Hogrefe. Beck, A.T., Freeman, and associates (1990). Cognitive Therapy of Personality Disorders. New York: The Guillford Press.

 

 

24. Extra risico op traumatische ervaringen bij gevoelige kinderen

Hoe kan therapie genezen 24.

Het verschil van opvatting over het ontstaan van trauma’s tussen therapeuten zoals Bowlby en Klein vind ik intrigerend. Wie zou er gelijk hebben? Therapeuten die menen dat negatieve ervaringen of trauma’s vooral ontstaan in de gekleurde waarneming van het kind zoals Melanie Klein (1975), of therapeuten die menen dat negatieve ervaringen of trauma’s echt en werkelijk gebeurd zijn zoals Bowlby (1980)?

Ik denk dat het allebei het geval kan zijn. Het kan zowel komen door echte afwijzing, daadwerkelijk verstoten of verwaarloosd worden, als door afwijzing die niet zo bedoeld is, maar wel zo overgekomen of geïnterpreteerd werd. Gevoelige, kwetsbare kinderen lopen daarbij extra veel risico omdat zij relatief gewone, nare gebeurtenissen al als traumatisch kunnen ervaren. En grote negatieve gebeurtenissen als extreem traumatisch kunnen ervaren. Ook zijn er wat dat betreft sterke kinderen die relatief weinig last hebben van duidelijk negatieve gebeurtenissen en meer gevoelige kinderen die snel gekwetst of geraakt zijn.

Daar laat ik het nu even bij. Straks kom ik nog wel terug op het verschil tussen echte en verbeelde trauma’s. Nu ga ik eerst weer terug naar de interne wereld van de cliënt. Uiteindelijk kan ik namelijk als therapeut de omgeving en de ouders vaak niet direct bij de individuele behandeling betrekken. Het effect van hun gedrag zal ik bovendien weer tegenkomen in de manier waarop de cliënt denkt en handelt, en de manier waarop problemen of klachten tot uiting komen. Een individuele behandeling richt zich toch vooral op de binnenwereld van de cliënt.

De hechtingtheorie zelf komt ook nog aan de orde als ik inga op de relatietherapie van Sue Johnston. Bij relatietherapie is er namelijk wel een stukje van de omgeving aanwezig, de partner. Dan kan je als therapeut de invloed van hechting veel makkelijker zichtbaar maken en gebruiken in de therapie.

Ik ga nu eerst verder met de ideeën van een moderne psychiater, Gabbard (2010), die geïnspireerd werd door theorieën van eerdere psychoanalytici. Deze psychiater wees me op een probleem waar ik ook mee worstel namelijk dat, hoe mooi je theorie of aanpak ook is, er ook steeds tekortkomingen aan kleven.

Gabbard: moderne psychodynamische psychotherapie
De ideeën van veel psychoanalytici werden door hun opvolgers verfijnd, veranderd en gemoderniseerd. Een van de hedendaagse therapieën die gebaseerd werden op de rijkdom aan ideeën binnen de psychoanalyse is de psychodynamische psychotherapie. De Amerikaanse psychiater Glenn Gabbard, geboren in 1949, schreef onder andere een boek over de psychologie van de Sopranofamilie, The Psychology of the Sopranos: Love, Death, Desire and Betrayal in America’s Favorite Gangster Family.

Die titel spreekt me erg aan en wekt bij mij de indruk dat hij heel wat ervaring heeft metde achterkant van de samenleving en onderkant van de menselijke geest. Flauw woordgrapje zal je misschien denken, maar soms heb ik er behoefte aan om uitdrukkingen of woorden aan te passen omdat het dan net iets beter bij mijn eigen gevoel past. Ik moet overigens bekennen dat ik het boek zelf nog niet gelezen heb. Wel ken ik zijn boek ‘Psychodynamische therapie in de praktijk’ (Gabbard, 2010). Daarin legt hij heel helder de principes van de psychodynamische psychotherapie uit. Ik beperk me hier tot wat hij denkt hoe therapie kan werken.

Gabbard is tamelijk bescheiden over genezing door therapie. Hij gaat wel uit van vooruitgang door therapie. Hij zegt dat je alleen de vooruitgang van een cliënt kan bijhouden als je enig idee hebt van de manier waarop psychodynamische therapie werkt. Hij stelt dat het een enorme opgave is om vast te stellen wat de mechanismen van therapeutisch handelen zijn.

Hij ziet alleen al een groot probleem om daar achter te komen omdat wij therapeuten de neiging hebben veel te veel waarde te hechten aan onze theorieën: we denken graag dat onze voortreffelijk geformuleerde interpretaties op grond van een bepaalde theorie bij de cliënt tot diepzinnige inzichten zal leiden.

Ook de cliënten zelf zullen vaak niet veel betrouwbaarder kunnen vertellen wat heeft geholpen dan therapeuten. Volgens hem vinden veel veranderingen waarschijnlijk onbewust plaats. Toch gaat hij er gelukkig wel verder op in wat de mogelijke mechanismen zijn hoe therapie kan helpen. Het heeft te maken met de doelstelling die de therapeut voor ogen heeft. Dat licht ik zo graag verder toe.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Gabbard, G. (2010). Psychodynamische therapie in de praktijk. Amsterdam: Hogrefe. Klein, M. (1975). Love, Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.

 

 

22. Onbewuste patronen van onveiligheid doorbreken

Hoe kan therapie genezen 22.

Wat kan een therapeut bieden in geval van onveilige hechting? In therapie gaat het volgens sommige therapeuten zoals Bowlby (1980) om een emotioneel correctieve ervaring, en om doorbreking van de vastgeroeste mentale representaties van gehechtheid die gezond functioneren belemmeren.

Vanuit dat oogpunt bekeken is een therapie dan succesvol als een cliënt in staat is om zijn vaste onbewuste patroon van wantrouwen en onveiligheid naar andere mensen te doorbreken en nieuwe, meer verschillende soorten relaties aan kan gaan. Het is behoorlijk veel wat er dan als therapeut van je verwacht wordt.

IJzendoorn et al. (2010) waarschuwen wel voor ‘gehechtheidtherapie’. De gehechtheidtheorie biedt belangrijke informatie ten behoeve van therapie, maar is niet bedoeld als een op zichzelf staande therapie. Gehechtheid speelt een rol in elke persoonlijke en therapeutische relatie, of je wil of niet. Je kunt daar beter rekening mee houden, bewust van zijn en gebruiken ten dienste van de cliënt.

Zodra de relatie tussen therapeut en cliënt ter sprake komt en je een vertrouwensband wilt opbouwen, krijg je te maken met de verschillen in de mate van hechting. Expliciet wordt er misschien nog niet zo vaak rekening mee gehouden, maar impliciet eigenlijk wel en al lang. Het lijk me wat dat betreft een goed idee om de relatie tussen therapeut en cliënt vaker en duidelijker, hardop in termen van hechting en vertrouwen te gaan benoemen.


Sensitieve wisselwerking tussen therapeut en cliënt

Gelukkig zijn er ook veel cliënten die een behoorlijk veilige basis hebben, en waarbij hechtingsgedrag een minder belangrijke rol speelt. De les van de gehechtheidtheorie is misschien vooral dat er een wisselwerking bestaat tussen het sensitieve gedrag van de therapeut en dat van de cliënt. Dit kan naar mijn idee worden doorgetrokken naar allerlei vormen van therapie.

Sensitiviteit voor én tegenwicht bieden aan de automatische stijl van de cliënt (zie vorige blog) lijkt me een belangrijke taak voor de therapeut. Ik denk daarbij ook aan het tegenwicht bieden aan de denkstijl van de cliënt. Om het even heel zwart-wit voor te stellen zouden cliënten met een pessimistische denkstijl, ‘zwartdenkers’, bijvoorbeeld meer behoefte kunnen hebben aan een optimistische, enthousiaste therapeut die in ze gelooft en vertrouwen geeft. ‘Witdenkers’ kunnen meer behoefte hebben aan een stevige, begrenzende therapeut met een gezond wantrouwen, die zich juist niet te snel laat meeslepen door het aanstekelijke enthousiasme van optimisten.

Als therapeut lijkt het me vooral belangrijk dat je je eigen hechtingsstijl erkent en kunt herkennen welke invloed dat heeft op de relatie met je cliënt. Deze sensitiviteit voor de cliënt zou je kunnen vergelijken met de sensitiviteit van een moeder of opvoeder voor een kind. Daarmee wil ik nog even terugkomen op de mogelijke gevolgen van gebrekkige sensitiviteit van ouders.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma.
Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.