68. Ontstaan en aanpak van angstklachten

Hoe kan therapie genezen 68.

Om te begrijpen hoe mensen angst- of paniekklachten kunnen ontwikkelen, geef ik hieronder een korte uitleg over angst en angstreacties.

Angst is eigenlijk een heel normaal en goed verschijnsel. Hartkloppingen, trillen, beven, snel ademhalen zijn lichamelijke reacties op een situatie die mogelijk spannend of gevaarlijk is. Zo zijn lichamelijke reacties bij het afleggen van een rij- of eindexamen, of een andere spannende situatie als een bijna-botsing heel normaal. In dit soort situaties kan de bloeddruk omhoog gaan, er gaat meer bloed naar de spieren, het hart gaat sneller kloppen, je kan gaan zweten, enzovoort.

Deze angstreactie is er om het lichaam te beschermen. Het maakt het lichaam namelijk klaar om te reageren. De angstreactie kan daarom helemaal geen kwaad. Het betekent niet dat je een hartaanval krijgt of dat je gek wordt.

Toch kunnen mensen erg bang worden voor deze lichamelijke reacties van angst. Volgens Van Dyck et al (1996) is deze angst voor de angst het gevolg van een catastrofale misinterpretatie van de lichamelijke sensaties.

Je kan de eerste keer zo schrikken van de klachten, dat je daarna bang bent gebleven om ze vaker te krijgen. Je gaat bewust of onbewust heel erg letten op wat er in je lichaam gebeurt, en of er niet weer een aanval aankomt. Op elk signaal van jouw lichaam dat op een nieuwe aanval lijkt, reageer je met een angstreactie. Je let dus bijvoorbeeld (bewust of onbewust) op het voelen van hartkloppingen. Je voelt je hart een keer overslaan en daarna sneller kloppen. Je schrikt daarvan, want je verwacht een nieuwe aanval en krijgt er allerlei catastrofale gedachten bij: je hebt een paniekaanval.


Ophouden met vermijden van angst

Bij cognitieve gedragstherapie gaat men er vanuit dat deze paniekklachten eigenlijk bestaan uit een verkeerd aangeleerd gedragspatroon. Mensen die voor het eerst een paniek- of angstaanval hebben ervaren, zijn erg bang geworden om nog een aanval te krijgen. Daardoor hebben ze hun gedrag aangepast en zijn een aantal situaties of plaatsen gaan vermijden die te maken hebben met de eerste angstaanval (Orlemans, 1993).

Een aanval bestaat uit een drietal onderdelen: 1. je voelt iets, bijvoorbeeld hartkloppingen, duizeligheid, trillen, benauwdheid; 2. je denkt iets over deze lichamelijke gevoelens, bijvoorbeeld: dit gaat verkeerd, ik ga flauwvallen. Of ook, ik heb een hartaanval, ik ga dood. En 3. je doet iets, je gaat bijvoorbeeld snel naar huis. Thuis nemen de klachten vervolgens af en verdwijnen na een tijdje. Hierdoor leer je dat het weggaan uit de situatie helpt om de klachten te verminderen.

Op korte termijn zorgt dat voor opluchting: je bent dan immers weg uit de moeilijke situatie. Op de lange termijn nemen de klachten echter alleen maar toe omdat de angst om de situaties wel op te zoeken steeds groter wordt.

Er ontstaat een vicieuze cirkel: je krijgt een eerste aanval. Je wordt bang om het nog eens te krijgen. Je gaat letten op signalen om het te voorkomen. Je gaat de situaties vermijden waarin de signalen optreden. Dat geeft opluchting en rust. Het vermijdingsgedrag wordt als het ware beloond en je blijft de angstopwekkende situaties vermijden.

De behandeling richt zich op het doorbreken van de cirkel en kan bestaan uit: Het bewust worden van gedachten of aanleiding die de angst of klachten oproepen. Meer reële gedachten over klachten ontwikkelen. Het wennen aan de lichamelijke sensaties van angst. Je blootstellen aan de situaties die je bent gaan vermijden, en bemerken dat de verschijnselen afnemen als je ze toelaat. Je gaan beseffen en daadwerkelijk begrijpen dat de verschijnselen van angst of paniek volledig onschadelijk zijn.

Dit soort behandelingen werken vaak goed en je kunt in een paar gesprekken deze angstklachten de baas leren zijn. Als er sprake is van onderliggende problematiek dan heb je echter een ander soort behandeling nodig. Soms is het dan ook niet de cliënt maar de therapeut die een catastrofale misinterpretatie begaat en worden de onderliggende problemen niet gezien.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Dyck, R. van, Balkom, A.J.L.M. van en Oppen, P. van (1996). Behandelingsstrategieën bij angststoornissen. Houten: Bohn, Stafleu, van Loghum.
Orlemans, J.W.G., Brinkman, W., Eelen, P., Haaijman, W.P. en Zwaan, E.J. (1993). Handboek voor Gedragstherapie, deel 1. Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum.

Advertenties

39. Waardoor verdwijnen de klachten bij gedragstherapie?

Hoe kan therapie genezen 39.

Hoe kunnen klachten verdwijnen door te kijken naar iemands gedrag? Cliënten kunnen door de hele concrete analyse van hun klachten erachter komen dat de klachten die ze hebben op de lange termijn erger zijn en onhandiger dan het probleem dat ze ermee vermijden (Orlemans, 1993).

Een cliënte heeft bijvoorbeeld last van duizeligheid gekregen toen ze boodschappen deed. Ze is erg geschrokken van deze duizeligheid en is snel naar huis gegaan. Eenmaal thuis verdwenen de klachten vrij snel. Ze is vervolgens gaan vermijden om te winkelen omdat ze in een winkel nu bang is om duizelig te worden of flauw te vallen. Ze kan merken dat dit op korte termijn natuurlijk goed werkt. Zolang ze niet in de winkel komt, heeft ze geen last van de klachten. Op de lange termijn perkt ze daarmee haar leven echter erg in en wordt ze steeds afhankelijker van anderen.

Ze kan leren dit gedragspatroon met behulp van de therapeut vervolgens te doorbreken. Ze leert dat haar klachten van duizeligheid en flauwvallen op zich geen kwaad kunnen. Ze leert dat het flauwvallen in een winkel misschien wel naar of akelig is, maar dat het uiteindelijke gevolg van het vermijden van deze gevoelens nog veel vervelender is.

Bovendien kan ze gaan merken dat haar angst om flauw te vallen uiteindelijk verdwijnt, omdat datgene waar ze bang voor is helemaal niet zal gebeuren. Feitelijk is ze namelijk niet flauw gevallen in de winkel, ze is er alleen bang voor dat het gaat gebeuren. Als ze naar de winkel gaat en kijkt wat er gebeurt, zal ze merken dat ze niet zomaar flauwvalt.

Dit heet ook wel exposure. Door het blootstellen aan dat waar je bang voor bent, kun je leren dat het iets is dat in je eigen gedachte plaatsvindt, en dat het in het echt uiteindelijk niet gebeurt. Het vermijdende gedrag is dus vaak niet nodig, omdat datgene wat je denkt dat gaat gebeuren, helemaal niet in het echt gaat gebeuren.

Mijn ervaringen is dat dit in sommige gevallen inderdaad werkt. Helaas vaak ook niet omdat er nog heel andere, vaak onbewuste dingen een rol spelen. Je ziet dan een verschuiving van klachten, waarover straks meer.


Cirkel van angst en vermijding
doorbreken

Soms kan het natuurlijk wel gebeuren dat je duizelig wordt en echt flauwvalt. Iemand kan wel eens flauwvallen in het openbaar. Dat kan op zich echter helemaal geen kwaad. Op zo’n moment zakt het bloed uit je hoofd snel in je benen, omdat er een plotselinge vaatverwijding is ontstaan door een hormonale of emotionele schommeling. Je lichaam beschermt onmiddellijk je hersenen en zorgt er voor dat je gaat liggen om weer bloed naar je hersenen te laten stromen.

Omstanders reageren meestal vriendelijk en schieten toe om je bij te staan. Toch kunnen sommige mensen angst blijven houden om flauw te vallen. ook als ze weten dat het geen enkel kwaad kan. Het kan soms een hele zoektocht zijn waarom iemand angst houdt, terwijl hij met zijn verstand heel goed weet dat hij niet bang hoeft te zijn.

Bij sommige mensen heeft het bijvoorbeeld te maken met de indruk die ze bij andere mensen maken als ze flauwvallen. Veel mensen hebben moeite om zichzelf te laten zien op momenten dat ze zich kwetsbaar voelen. Ze zien het als een teken van persoonlijk tekortschieten en schamen zich ervoor. De angst om flauwtevallen heeft dan niet zozeer te maken met de fysiologische reactie of angst voor duizeligheid zelf, maar met angst om te falen of voor zwak aangezien te worden.

Door steeds opnieuw te bespreken wat het verband is tussen de klachten en het vermijdingsgedrag en oplossingen te bieden om anders met dat vermijdingsgedrag om te gaan, kunnen de symptomen verdwijnen. Als een cliënt de cirkel van angst en vermijding kan doorzien, kan ze andere keuzes gaan maken in haar gedrag.

Niet alleen angstklachten maar bijvoorbeeld ook depressieve klachten kunnen met gedragstherapie behandeld worden. Veel voorkomend bij depressie is dat mensen hun sociale leven hebben beperkt, bijvoorbeeld uit teleurstelling over het contact met andere mensen. Door het verminderd aantal contacten en isolatie krijgen ze steeds minder positieve ervaringen en blijven ze in hun eigen negatieve beloningscirkel zitten. Vermijden van contact voorkomt in ieder geval teleurstelling of kritiek.

Typisch voor gedragstherapie is om mensen met een depressie weer te activeren, dat wil zeggen allerlei activiteiten te laten ontplooien waardoor ze weer meer positieve ervaringen en prikkels kunnen opdoen. Dat kan bij bepaalde cliënten voldoende zijn om weer zin en plezier in het leven te krijgen.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston

Literatuur
Orlemans, J.W.G., Brinkman, W., Eelen, P., Haaijman, W.P. en Zwaan, E.J. (1993).
Handboek voor Gedragstherapie, deel 1. Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum.

38. Gedragstherapie: het aanleren van ander gedrag

Hoe kan therapie genezen 38.

Gedragstherapie vind ik zelf een hele directe en praktische therapiemethode. In het heel kort gaat het om aanleren en afleren van gedrag waardoor je je onder andere makkelijker kan bewegen in het sociale verkeer. Ik maak er zelf ook dagelijks gebruik van, omdat je er allerlei gedrag mee kunt beïnvloeden. Ik heb het bijvoorbeeld gebruikt om ons konijn in haar hok te leren springen. Ik gebruik het om mijzelf te belonen als ik mijn ‘to do lijstje’ afheb, en om mezelf aan het werk te zetten als ik geen zin heb.

Het Handboek gedragstherapie van Orlemans et al. (1993) beslaat ongeveer tweeduizend bladzijden. Ik zoem even in op een paar relevante dingen om een globaal idee te krijgen van de gedragstherapie.

Brinkman (in Orlemans, 1993) geeft aan wat gedragstherapie eigenlijk is. Het is concreet en meestal gericht op de huidige problemen van de cliënt. Het doel is om de problemen van de cliënt zo goed mogelijk in kaart te brengen, te begrijpen en op te lossen. De symptomen genezen zo je wilt.

Het gaat in op de symptomen die iemand heeft, en leert de cliënt allerhande technieken om deze symptomen de baas te worden. Het bestaat onder andere uit vaardigheidstrainingen zoals sociale vaardigheden, timemanagement vaardigheden, vaardigheden om problemen op te lossen, ademhalingsoefeningen en ontspanningsoefeningen om allerlei situaties beter aan te kunnen. Veel psychologie op de werkvloer bestaat ook uit het aanleren van dergelijke vaardigheden.

Na de inventarisatie van klachten en problemen wordt er een concreet probleem uitgekozen en uitgediept. De cliënt leert daarbij systematisch te kijken naar het eigen probleemgedrag. ‘De therapie werkt toe naar een zo snel mogelijke oplossing van problemen, maar is ook een ontdekkingsreis die de cliënt meer duidelijk maakt over zichzelf’ (Orlemans, 1993). Skinner was een van de grondleggers van deze therapiemethode.


Skinner: de functie van probleemgedrag

Skinner is een Amerikaanse psycholoog, wetenschapper, auteur en filosoof die leefde van 1904 tot 1990. Hij verdiepte zich onder andere in de wetenschappelijke verklaring van menselijk gedrag. Om gedrag te kunnen beïnvloeden moest je volgens hem de functie van het gedrag kunnen begrijpen. Hij bestudeerde daarom tot in detail wat er aan bepaald gedrag voor afging, het gedrag zelf en wat de gevolgen van dat gedrag waren. Dit wordt ook wel de functieanalyse van gedrag genoemd (Orlemans, 1993).

Die functieanalyse is de kern van de gedragstherapie geworden. De functieanalyse kun je zien als een theorie over de functie die een klacht in het leven van de cliënt heeft: waar dienen de klachten toe, of wat heeft de cliënt aan de klachten. Er wordt vanuit gegaan dat de klacht op de een of ander manier functioneel is, en ook iets oplevert. De cliënt heeft als het ware baat bij de klachten of het gedrag omdat die ervoor zorgen dat hij of zij daarmee bepaalde dingen niet aan hoeft te gaan of kan vermijden.

Er wordt in de therapie veel tijd besteed aan het samen ontdekken welke positieve beloningen die cliënt krijgt door de klacht of het gedrag dat daarbij hoort. Door de positieve gevolgen van een op zich vervelende klacht worden die klachten in stand gehouden. Ofwel, één van de belangrijkste ingrediënten bij gedragstherapie is het uitgangspunt dat problemen of klachten een functie hebben, iets belangrijks opleveren voor de cliënt, waardoor de klachten zichzelf in stand houden.

De beloning kan uit van alles bestaan, bijvoorbeeld uit extra aandacht, of dingen niet hoeven doen die je moeilijk vindt of denkt niet te kunnen. Het kan ook bestaan uit het vermijden van iets naars of akeligs dat niet optreedt. De beloning is dan dat je geen naar of akelig gevoel krijgt maar een neutraal gevoel.

Ik geef toe dat dit een erg korte en tamelijk eenvoudige uitleg van gedragstherapie is. Veel dieper kan ik er helaas niet opgaan. Ik wil wel graag nog een concreet voorbeeld geven van hoe functieanalyse kan helpen om klachten te verminderen.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston

Literatuur
Orlemans, J.W.G., Brinkman, W., Eelen, P., Haaijman, W.P. en Zwaan, E.J. (1993).
Handboek voor Gedragstherapie, deel 1. Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum.