61. Extreme ontkenningsstrategieën en behoefte aan liefde

Hoe kan therapie genezen 61.

Tijdens het therapieproces moeten er allerlei verschillende vormen van afsplitsing van de eigen gevoelens en bijbehorende overlevingsstrategieën overwonnen worden. Ruppert (2012) beschrijft zijn ervaringen met zeer verschillende type cliënten met matige tot zeer ernstige psychopathologie. Ontkenning en overlevingsstrategieën kunnen daarbij extreme vormen aannemen en soms leiden tot een psychose of waanzin. Vooral kinderen die verstrikt zijn geraakt in een traumatisch bindingssysteem dat al meerdere generaties bestaat, kunnen zich soms in extreme bochten wringen om de realiteit te ontkennen.

Een kind kan verstrikt raken omdat er van generatie op generatie te weinig liefde en aandacht voor kinderen in het gezin bestaat. Grootmoeder was bijvoorbeeld een intelligente vrouw die zelf weinig liefde of steun had ervaren en gericht was geraakt op prestaties en aandacht in de buitenwereld. Deze grootmoeder was nauwelijks in staat haar eigen kinderen op te voeden. Een van haar kinderen werd in de puberteit uit huis geplaatst omdat het grootmoeder niet lukte om voor haar te zorgen.

Dit kind heeft op haar beurt een groot emotioneel tekort ervaren. Ze heeft dit weggestopt en omgezet in de wens om zelf een gelukkig en ideaal gezin te stichten. Het gebrek aan steun en liefde van haar moeder vertaalt zich nu in een grote behoefte aan aandacht en liefde van haar eigen kinderen.

Het kind van deze moeder voegt zich tenslotte in de psychische structuur van de moeder en probeert daarbinnen haar moeder de liefde te geven waar ze zo naar verlangt. Zo leert een kind te zorgen voor de emotionele behoefte van haar getraumatiseerde moeder en haar eigen behoeften te negeren. Het is volledig symbiotisch verstrikt geraakt met de behoeften van haar moeder.

De behoefte om ondanks alles door de ouders geaccepteerd en geliefd te worden, en de loyaliteit met het gezin zijn zulke sterke psychische krachten dat emotioneel misbruikte kinderen steeds opnieuw moeite blijven doen om hun ouders te begrijpen, te troosten en te helpen (Ruppert, 2012).

Sommige kinderen gaan zelfs zo ver dat ze zelf als ‘gek’ bekend komen te staan, om hun ouders te beschermen tegen het verwijt dat die een aandeel hebben in de slechte psychische gezondheid van hun kind.

Loyaliteit, extreme angst en moord

Volgens Ruppert spelen dit soort onbesproken en geheimgehouden familiedrama’s een duidelijke rol bij schizofrenie en psychose. Volgens hem betekent psychotisch zijn symbiotisch verstrikt zijn en in de afgrond getrokken worden door de traumagevoelens en herhaalde verwaarlozing in de vorige generaties, vooral in de moederlijke lijn.

Er is sprake van extreme loyaliteit en extreme angst als de waarheid aan het licht komt dat de moeder tekort gekomen is in haar zorg. De wens om dit te voorkomen is vaak veel sterker dan de wens om een normaal leven te leiden. Bij de familie willen horen vormt vaak het hoogste doel, tegen elke prijs, zelfs als het de cliënt het eigen verstand of het eigen leven kost. Het gaat hier niet om verdrongen herinneringen vanwege trauma maar van ontkenning van angst en andere emoties om bij het gezin te blijven horen.

Schizofreen zijn betekent in Rupperts woorden dat de betrokkene zich extreme ontkenningsstrategieën heeft eigengemaakt. Het kind wil de vrede in de wereld bewerkstelligen en de Messias zijn om de liefde voor iedereen in de familie te herstellen en vecht hiervoor met zijn eigen leven. Het schroomt niet om voor zelfmoord of soms voor moord te kiezen als dat in zijn eigen ogen het probleem van liefdestekort oplost. Zo zou je sommige moorden kunnen duiden als een noodgedwongen oplossing van een enorm loyaliteitsprobleem.

Zo zou je ook kunnen zeggen dat kinderen die te veel gedwongen worden om te leven zoals hun ouders dat voor zich zien, extreme escapemechanismen kunnen gaan gebruiken om aan een goedbedoeld, maar te rigide regiem te ontkomen.
Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Ruppert, F. (2012). Bevrijding van trauma, angst en onmacht. Op weg naar gezonde autonomie en liefde. Eeserveen: Uitgeverij Akasha.

Advertenties

43. Emotionele ontvankelijkheid als sleutel voor verbondenheid

Hoe kan therapie genezen 43.

De zoektocht van Sue Johnson (2012) naar succesvolle relatietherapie leverde haar uiteindelijk een diepgaand inzicht op. Ze keek steeds opnieuw naar de opnames van relatiegesprekken om de transformaties te begrijpen die ze daar zag gebeuren. Tenslotte vond ze het antwoord op haar vraag waarom er een positieve verandering tussen partners kon optreden.

Toen ze nogmaals keek naar de dramatische momenten die relaties hadden getransformeerd, zag ze een grote gelijkenis met de hechtingstheorie van Bowlby (1980, zie blog 19). Ze concludeerde dat het succes van een relatie stond of viel met de mogelijkheid tot veilige emotionele verbinding, de basis voor beminnen en bemind worden. Deze emotionele ontvankelijkheid ziet ze als de sleutel voor verbondenheid. Hierop baseerde Johnson (2012) haar Emotionally Focused Therapie, ook wel EFT genoemd.

De meeste verwijten in de ruzies begon ze te zien als een wanhopige roep om hechting, een protest tegen verlies van verbondenheid. Zo’n protest kan alleen worden weggenomen als de geliefde dichterbij komt en de ander vasthoud en geruststelt. Niets anders helpt. En als dat herstel van verbondenheid niet tot stand komt, gaat de strijd door. Een van de sleutelingrediënten van herstel van de relatie is deze speciale vorm van emotionele ontvankelijkheid gebaseerd op de hechtingtheorie.

Ze begreep dat alle conflicten, heftige emotie en drama’s die ze tijdens de sessies meemaakte, draaiden om hechtingsbanden. Daarmee had ze ook een plattegrond gevonden voor de liefde en kon ze nu systematisch de stappen van de reis plannen naar een speciale vorm van liefdevolle verbondenheid. Met de methode die ze ontwikkelde kunnen volgens Sue Johnson niet alleen relatietrauma’s geheeld worden, maar kunnen ook andere soorten trauma’s of monsters uit onze jeugd geheeld of verjaagd worden.


Hoelang duurt Emotionally Focused Therapie?

Op basis van haar ontdekkingen ontwikkelde Sue Johnson een vastomlijnde therapie. Het bestaat uit zeven gesprekken die een speciale vorm van emotionele ontvankelijkheid willen bevorderen. Die emotionele ontvankelijkheid noemt ze de sleutel tot duurzame liefde. Centraal daarin staat het leren durven uiten van je kwetsbare behoeften naar je partner.

Er moet dan wel heel hard gewerkt worden. Elk gesprek heeft zijn eigen thema. Het vijfde gesprek heeft bijvoorbeeld het thema ‘Kwetsuren vergeven’. Hierin worden de zes stappen naar vergevingsgezindheid besproken. Het zesde gesprek heeft als thema ‘De band versterken via seks en aanraking’. Daarin wordt onder andere uitgelegd wat de verschillen zijn tussen geïsoleerde seks, troostseks en synchrone seks. De belofte wordt gedaan dat veilige relaties de springplank zijn naar de meest opwindende en avontuurlijke erotische ontmoetingen.

Ik vind het bijzonder knap hoe zij ingewikkelde thema’s zo helder, compact en aanstekelijk heeft verwoord. Er komt wel een stemmetje in me op dat zegt dat de hechtingtheorie van Bowlby een hele mooie, maar niet de enige route is naar het verbeteren van een relatie. Soms kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een te veel aan hechting of aanhankelijkheid. Dan gaat het in een relatie meer om ‘Laat me los’ dan ‘Houd me vast’.

De methode komt me soms ook wel wat optimistisch of idealistisch over vanwege de grote beloften die erin worden gedaan. Na dit uitstapje over de ideeën van Johnson, ga ik terug naar een meer bescheiden therapeut, die empathie als allerbelangrijkste ingrediënt van zijn therapie zag, Carl Rogers.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Johnson, S. (2012). Houd me vast. Zeven gesprekken voor een hechtere en veilige relatie. Utrecht: Kosmos.

42. Sue Johnson: Houd me vast

Hoe kan therapie genezen 42.

Ik benadruk graag hoe belangrijk een voedend contact met andere mensen kan zijn voor de psychische gezondheid. Hulp, steun en intimiteit kunnen dienen als bron van energie en ontspanning. Het is als zuurstof van het psychische leven zoals Kohut (1984) het noemde. Zoals we zuurstof nodig hebben om te ademen, hebben we ook anderen nodig die ons kunnen voeden en energie geven (blog 4).

Toch zijn er niet zoveel therapeuten die dit ook direct als uitgangspunt van hun therapie kiezen. Kohut en Bowlby (1980, blog 19) deden dit wel. Zij maakten duidelijk wat goede relaties en hechting met andere mensen kunnen betekenen. Dat is ook een reden waarom ik nu graag wat vertel over Sue Johnson (2012) en haar relatietherapie. Zij ontwikkelde de methode ‘Houd me vast’. Dit is een methode waarin de rol van empathie, liefde en hechting heel helder naar voren komt.

Met het uitstapje dat ik nu maak, ga ik overigens niet in op de relatietherapie zelf en hoe dat in zijn werk gaat. Het gaat mij steeds om de schat aan ervaring van therapeuten en hun ontdekkingen hoe ze cliënten hebben kunnen helpen. Sue Johnson past daarom heel goed in dit rijtje. Ze heeft heel knap uiteengezet hoe haar therapie kan helpen genezen.

Wat maakt een relatietherapie succesvol?

Sue Johnson vertelt dat ze er lang over gedaan heeft om te begrijpen hoe ze stellen kon helpen om weer tot elkaar te komen. Vanuit haar werk als psychotherapeut had ze al ervaren dat het luisteren naar en het ingaan op sleutelemoties essentieel waren voor verandering in individuele therapie. Toch kwam ze daarmee niet veel verder in relatietherapie. Ze merkte dat ze er op de een of andere manier naast zat.

Ze keek urenlang gefascineerd naar op de band vastgelegde sessies en besloot te blijven kijken totdat ze de dramatische gestrande liefdes die ze daar zag echt zou begrijpen. Uiteindelijk zag ze een duidelijk plaatje. Ze zag relaties waarin de ene partner de aanvallende, verwijtende partij bleek en de andere partij zich steeds meer terugtrok.

Er viel haar iets op aan de partners die zich meer op zichzelf hadden teruggetrokken. Als deze partners in staat waren om hun angst voor verlies en isolement op te biechten, konden ze ook gaan praten over hun verlangen naar genegenheid en verbondenheid. Die openbaring bewoog dan de verwijtende partners om met meer tederheid te reageren, en om hun eigen behoeften en angsten met de ander te delen. Plotseling leek het alsof beide partners naakt, maar sterk van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar stonden.

Ze beschrijft dit als wonderbaarlijke en dramatische momenten. Ze veranderden alles en vormden het begin van een nieuwe positieve spiraal van liefde en verbondenheid. Paren vertelden haar dat dergelijke momenten hun leven veranderd hadden.

Toch gaf dat haar nog niet het gevoel dat ze het helemaal begreep. Ze wilde nog verder kijken en het nog beter begrijpen. Ze zag toen iets waardoor alles op zijn plek viel, en ze de sleutel kreeg tot succesvolle relatietherapie. Daar zal ik nog wat meer over vertellen.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1. London: Pimlico.
Johnson, S. (2012). Houd me vast. Zeven gesprekken voor een hechtere en veilige  relatie. Utrecht: Kosmos.
Kohut, H. (1984) How does analysis cure? Chicago: Chicago Press.

23. Traumatische ervaringen door onveilige omgeving?

Hoe kan therapie genezen 23.

Bowlby heeft als een van de eerste therapeuten aandacht gevraagd voor echte traumatische ervaringen door de opvoeding. Volgens hem kan een gebrekkige sensitiviteit van opvoeders een directe oorzaak zijn van onveilig hechtingsgedrag, traumatische ervaringen en gevoelens van verwaarlozing en eenzaamheid bij kinderen (Bowlby 1980). In zijn tijd in de jaren zestig was dat zeker niet onomstreden. Ik kan me ook voorstellen dat psychoanalytici het erg oneens waren met Bowlby.

Plotseling kwamen klachten en symptomen niet meer voort uit verborgen wensen en behoeften of beschamende gedachten van het kind (zie bv de eerdere blogs over Freud, Horney en Klein), maar werden toegeschreven aan de ongevoeligheid van de ouders of opvoeders naar het kind toe. Belevingen van traumatische gebeurtenissen bleken niet slechts door de fantasie gekleurde ervaringen, maar reële tekortkomingen van de omgeving die niet sensitief genoeg had gereageerd. Er bleek sprake van echte verwaarlozende omgeving in plaats van een gewone, normale omgeving die als te negatief beleefd werd.

Bij alle vorige therapieën kwam de omgeving eigenlijk niet direct ter sprake. De genezing van klachten bevond zich in de persoon zelf. De mogelijkheid om te komen tot een integratie van positieve en negatieve ervaringen bood kans op genezing. Maar wat nu als de omgeving de voornaamste oorzaak van klachten is? Schieten we daar iets mee op? Moeten we nu alle ouders gaan instrueren hoe ze er voor kunnen zorgen dat hun kind veilig gehecht kan raken? Ja, dat zou ik best graag willen.

Voorkomen van trauma en verwerking van emoties
Een cursus voor ouders zou dan kunnen inhouden wat therapeuten hun cliënten later als nog proberen te leren. Ik denk dan vooral aan het op een gezonde manier omgaan met allerlei heftige emoties als woede, schaamte, verdriet, angst voor ziekte en dood, wantrouwen, trots, vernedering, liefde, betrokkenheid, zorgzaamheid en het aangaan van waardevolle relaties met anderen. Ik had graag gewild dat mijn ouders, die me zo’n mooie naam gaven, dat voor me hadden kunnen betekenen. Ik zou heel graag willen dat ik dat voor mijn kinderen zou kunnen betekenen.

Ik weet echter dat ik daar maar gedeeltelijk aan kan voldoen. Ik ben slechts gedeeltelijk een sensitieve opvoeder. Ik bemerk vaak een strijd tussen willen zorgen voor mijn drie kinderen en het toegeven aan mijn eigen behoeften. Ik doe mijn best voor mijn kinderen, maar ik weet dat ik helaas regelmatig tekortschiet, omdat ik eigenlijk zo graag werk en soms te weinig tijd voor hen vrijmaak.

Tegelijkertijd probeer ik ze allerlei trauma’s te besparen, waardoor ze mogelijk juist te weinig leren omgaan met frustraties. Ik trek soms de haren uit mijn hoofd uit overbezorgdheid over hoe ik ze groot kan brengen tot stevige, aardige, zelfstandige volwassen. Ik troost me met de gedachte dat ik ook geen perfecte, ideale moeder hoef te zijn. De psychoanalyticus Winnicott gebruikte wel de uitdrukking ‘goed genoeg’ moeder. Daar heb ik houvast aan. Ook denk ik dat een moeder af en toe moet falen in de ogen van haar kinderen, en afwijzing voor lief moet nemen, om uiteindelijk echt emotioneel tot elkaar te komen.

Ik maak me regelmatig zorgen over nare ervaringen die ze in hun leven kunnen oplopen en of ik hen daarbij wel genoeg kan steunen. Ik heb er wat dat betreft groot belang bij om zo goed mogelijk in te schatten welke gebeurtenissen een traumatisch impact hebben. Laat ik daarom nog even verder ingaan op het verschil tussen de echt ervaren trauma’s van Bowlby en de verbeelde trauma’s van Klein.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.

22. Onbewuste patronen van onveiligheid doorbreken

Hoe kan therapie genezen 22.

Wat kan een therapeut bieden in geval van onveilige hechting? In therapie gaat het volgens sommige therapeuten zoals Bowlby (1980) om een emotioneel correctieve ervaring, en om doorbreking van de vastgeroeste mentale representaties van gehechtheid die gezond functioneren belemmeren.

Vanuit dat oogpunt bekeken is een therapie dan succesvol als een cliënt in staat is om zijn vaste onbewuste patroon van wantrouwen en onveiligheid naar andere mensen te doorbreken en nieuwe, meer verschillende soorten relaties aan kan gaan. Het is behoorlijk veel wat er dan als therapeut van je verwacht wordt.

IJzendoorn et al. (2010) waarschuwen wel voor ‘gehechtheidtherapie’. De gehechtheidtheorie biedt belangrijke informatie ten behoeve van therapie, maar is niet bedoeld als een op zichzelf staande therapie. Gehechtheid speelt een rol in elke persoonlijke en therapeutische relatie, of je wil of niet. Je kunt daar beter rekening mee houden, bewust van zijn en gebruiken ten dienste van de cliënt.

Zodra de relatie tussen therapeut en cliënt ter sprake komt en je een vertrouwensband wilt opbouwen, krijg je te maken met de verschillen in de mate van hechting. Expliciet wordt er misschien nog niet zo vaak rekening mee gehouden, maar impliciet eigenlijk wel en al lang. Het lijk me wat dat betreft een goed idee om de relatie tussen therapeut en cliënt vaker en duidelijker, hardop in termen van hechting en vertrouwen te gaan benoemen.


Sensitieve wisselwerking tussen therapeut en cliënt

Gelukkig zijn er ook veel cliënten die een behoorlijk veilige basis hebben, en waarbij hechtingsgedrag een minder belangrijke rol speelt. De les van de gehechtheidtheorie is misschien vooral dat er een wisselwerking bestaat tussen het sensitieve gedrag van de therapeut en dat van de cliënt. Dit kan naar mijn idee worden doorgetrokken naar allerlei vormen van therapie.

Sensitiviteit voor én tegenwicht bieden aan de automatische stijl van de cliënt (zie vorige blog) lijkt me een belangrijke taak voor de therapeut. Ik denk daarbij ook aan het tegenwicht bieden aan de denkstijl van de cliënt. Om het even heel zwart-wit voor te stellen zouden cliënten met een pessimistische denkstijl, ‘zwartdenkers’, bijvoorbeeld meer behoefte kunnen hebben aan een optimistische, enthousiaste therapeut die in ze gelooft en vertrouwen geeft. ‘Witdenkers’ kunnen meer behoefte hebben aan een stevige, begrenzende therapeut met een gezond wantrouwen, die zich juist niet te snel laat meeslepen door het aanstekelijke enthousiasme van optimisten.

Als therapeut lijkt het me vooral belangrijk dat je je eigen hechtingsstijl erkent en kunt herkennen welke invloed dat heeft op de relatie met je cliënt. Deze sensitiviteit voor de cliënt zou je kunnen vergelijken met de sensitiviteit van een moeder of opvoeder voor een kind. Daarmee wil ik nog even terugkomen op de mogelijke gevolgen van gebrekkige sensitiviteit van ouders.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma.
Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.

21. Onveilige hechting oorzaak van psychische klachten

Hoe kan therapie genezen 21.

Onveilige hechting in de kindertijd kan allerlei gevolgen hebben voor de emotionele ontwikkeling van kinderen. Het wetenschappelijk vaststellen van deze gevolgen is dan ook een belangrijk onderzoeksterrein. Veel wetenschappers hebben zich daarbij laten inspireren door Bowlby (1980) en het onderzoek naar hechtingsgedrag van Marie Ainsworth. Onderzoek heeft zich bijvoorbeeld gericht op gezinnen waar de communicatie zichtbaar inadequaat is. Ik wil een paar bevindingen noemen.

Er werd inderdaad vaker onveilig hechtingsgedrag gezien in gezinnen met duidelijk inadequate communicatie. Ook werden er verschillen in hechting gevonden tussen verschillende soorten gezinnen. In gezinnen waar sprake was van geweld, verwaarlozing of emotioneel of seksueel misbruik werd er vaker onveilige vermijdende of ambivalente hechting gezien (zie vorige blog voor een indeling van hechtingsgedrag).

Gedesorganiseerd gehechtheid lijkt vooral veroorzaakt te worden door beangstigend of angstig en extreem intensief gedrag van ouders. Die kinderen zitten als het ware gevangen in het onoplosbare probleem dat hun hechtingsfiguur zowel een bron van troost en veiligheid is, als van stress en angst (IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg, 2010). Verder onderzoek hiernaar liet bijvoorbeeld zien dat bepaald soort gedrag van de ouder zoals teruggetrokken of afwezig gedrag, een bulderende stem, een aanvalshouding of ruwe behandeling, desorganisatie van gehechtheid op kan roepen.

Verder blijkt de gehechtheidtheorie ook gedeeltelijk te kunnen voorspellen welke mensen gevoeliger zijn voor psychische klachten en traumatische gebeurtenissen (IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg, 2010). Uit verschillend onderzoek bleek dat veilig gehechte kinderen later beduidend minder kans hadden op psychische klachten dan kinderen met andere hechtingstijlen. Kinderen met een gedesorganiseerde hechtingstijl hadden het vaakst last van allerlei psychische klachten.

Als we een oorzaak weten van psychische klachten betekent dat helaas niet direct dat we ze ook met therapie goed kunnen behandelen. Wat zou therapie kunnen bijdragen in geval van onveilige hechting?

Verbeteren van gehechtheid door therapie
Of wat heeft de gehechtheidsrelatie nu met succes van de therapie te maken? Therapeutisch gezien zou het kunnen herstellen of verbeteren van de gehechtheidrelatie kunnen helpen om psychische klachten te verminderen. Bowlby gebruikte naar mijn weten zijn eigen theorie uiteindelijk niet om daarmee een therapie te ontwikkelen. Hij gebruikte het als invalshoek om psychische klachten te verklaren en impliciet als uitgangspunt voor zijn relatie met de cliënt.

Anderen hebben geprobeerd hechting meer expliciet in de therapie te betrekken. IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg (2010) geven op basis van hun ervaringen en onderzoek bijvoorbeeld enkele aanbevelingen voor therapie.

Ten eerste zou de therapie een veilige basis moeten scheppen voor het onderzoeken en uiten van de eigen emotionele problemen. Gehechtheid is volgens hen geen noodlot dat in de eerste jaren vast komt te staan, maar speelt levenslang een rol en kan veranderen als gevolg van nieuwe positieve ervaringen. Een sleutelingrediënt is het opdoen van nieuwe, veilige positieve ervaringen in de hechting met andere mensen. Een therapeut kan fungeren als rolmodel en nieuwe positieve gehechtheidervaringen bieden.

Ten tweede adviseren ze een juiste koppeling tussen de cliënt en de therapeut, waarbij de gehechtheidstijl van allebei betrokken wordt. Ze vonden dat dit behoorlijke invloed heeft op het proces en de uitkomst van de therapie. Uit onderzoek bleek dat een optimale match vooral bestaat als de therapeut een andere hechtingstijl heeft dan de cliënt. Therapeuten met een veilige hechtingsstijl waren op zich het best in staat om tegemoet te komen aan de behoeften van de cliënt.

In de praktijk hebben natuurlijk lang niet alle therapeuten een dergelijke stijl. Er zijn genoeg therapeuten die zelf een moeilijke jeugd als achtergrond hebben waarin onveiligheid een rol heeft gespeeld. Wat dat betreft zeggen IJzendoorn en Bakermans-Kranenbrug dat een gereserveerde therapeut met een wat vermijdende hechtingstijl heel geschikt kan zijn voor cliënten met een onveilig ambivalente hechtingsstijl.
Wat dit nog meer voor gevolgen heeft voor therapie kom ik zo op.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma. Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.

 

 

20. Veilige en onveilige gehechtheid

Hoe kan therapie genezen 20.

De ideeën van Bowlby over het hechtingsgedrag bij kinderen werden verder ontwikkeld en in de praktijk toegepast door Marie Ainsworth. Ainsworth deed onderzoek naar verschillende manieren van gehechtheid bij kinderen door een stressvolle situatie na te bootsen (Bowlby, 1980). Daarbij verlaat de moeder de kamer waar haar kind aan het spelen is. Ze laat het achter bij een vreemde en komt daarna weer terug.

In het gedrag wat ze daarbij observeerde kon ze vier verschillende manieren van gehechtheid herkennen. Ik schets ze hier heel kort.
1. Veilig gehecht: een kind dat wat gespannen raakt als de moeder het alleen laat en blij is als de moeder weer terugkomt.
2. Onveilig-ambivalent gehecht: een kind dat het moeilijk heeft als de moeder weggaat en de moeder weer opzoekt als ze terug komt, maar wel negatieve emoties toont of zich afwerend of juist aanklampend en zorgbehoeftig gedraagt. Het kind heeft een soort dubbele, ambivalente houding naar de moeder met zowel heel positieve als negatieve gevoelens.
3. Onveilig-vermijdend gehecht: een kind dat de moeder negeert en niet opzoekt als ze terugkomt.
4. Gedesorganiseerd gehecht: een kind dat niet weet wat het moet doen, de moeder tijdelijk negeert als ze terugkomt, of wel opzoekt maar dan bevriest, of ander, soms vreemd gedrag vertoont waaruit blijkt dat het bang is voor de ouder.

Dit onderzoek werd zeer bekend. Het wordt nog steeds veel gebruikt om de kwaliteit van hechting bij kinderen te achterhalen. Misschien wel het belangrijkste verschil met eerdere ideeën (zie Melanie Klein) en onderzoek is dat de oorzaak van onveiligheid hier niet aan het kind of de situatie wordt toegeschreven, maar aan de opvoeder, meestal de moeder. Haar sensitiviteit voor de signalen van het kind en het al dan niet ingaan op diens behoefte aan bescherming en begrenzing vormt de basis van de gehechtheid. Veilige hechting kan ontstaan als een moeder sensitief genoeg is, de signalen van het kind snel kan waarnemen, goed weet te interpreteren, en er direct en adequaat op kan reageren.

Opvoeder als bron van stress
Dit idee dat de opvoeder niet alleen belangrijk is voor voeding en verzorging, maar ook voor het gevoel van veiligheid in het kind maakt veel uit. Het doet een veel groter beroep op de communicatievaardigheden van de ouder dan daarvoor werd gedacht.

Je kunt je voorstellen dat er vooral in de communicatie veel mis kan gaan tussen het kind en de ouders, met name bij ouders die zelf niet goed geleerd hebben om sensitief te reageren op het kind. Als een moeder bijvoorbeeld zelf onveilig gehecht is, of meer op zichzelf en haar eigen behoeften gericht is dan op het kind, zal ze minder makkelijk openstaan voor emotionele signalen. Deze belangstelling voor sensitieve communicatie tussen ouder en kind heeft in de jaren zestig en zeventig dan ook gezorgd voor een aardverschuiving in de manier waarop tegen opvoeders en de opvoeding werd aangekeken.

Hechtingsgedrag heeft ook gevolgen voor het leren omgaan met trauma’s in de kindertijd. Kinderen die iets moeilijks, angstigs of bedreigends meemaken kunnen hier makkelijker mee omgaan als er op dat moment een ouder beschikbaar is die het kind opvangt, steunt, troost en weer een veilig gevoel geeft.

Kinderen die om wat voor reden dan ook geen steun of veiligheid vinden bij hun opvoeder, zullen waarschijnlijk meer moeite hebben om een dergelijke gebeurtenis te verwerken. Zij blijven vaker of langer zitten met een dreigend gevoel van onveiligheid en zonder de ervaring dat er iemand is die hen er doorheen helpt. Deze kinderen verzinnen vaker eigen oplossingen om met de gebeurtenis om te gaan waarbij ze geen beroep hoeven doen op een ander. Ze missen daarbij feedback waardoor een bedreigende gebeurtenis ook in alle mogelijke proporties in hun fantasie kan gaan rondspoken.

Hoe belangrijk ik de hechtingtheorie vind, wordt hierdoor denk ik wel duidelijk. Er zijn ook wetenschappelijk bewijzen voor het belang van veilige hechting gevonden die ik kort wil aanstippen.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.