75. Echte en verbeelde waarheid

Hoe kan therapie genezen 75.

Nu wil ik mijn naam eer aandoen als Candida Albicans Blanchefleur, en zo meteen een mooie Witte Bloem aan je geven. Eerst wil ik je aandacht vragen voor een probleem over de waarheid en impact van traumatische ervaringen. Voor mij is het belangrijk om dit probleem zo goed mogelijk te verhelderen, ook al kan ik misschien niet helemaal de juiste woorden vinden om het over te brengen.

Al eerder kwam er een verschil van mening naar voren tussen twee verschillende groepen therapeuten. Aan de ene kant zijn er therapeuten die geloven dat je eigen interpretatie, emotionele inkleuring, idealisering en fantasie van de werkelijkheid een belangrijke oorzaak is van trauma’s en psychische klachten. Ik denk bijvoorbeeld aan Karen Horney (blog 6), Melanie Klein (blog 17) en de cognitieve therapeuten als Beck (blog 27), of aan de wetenschapper Merckelbach (blog 55) en de neuroloog Babinski (Blog 56).

Aan de andere kant heb je therapeuten die geloven dat de trauma’s echt en reëel zijn. Ze geloven dat echt gebeurde akelige ervaringen in je jeugd zoals verwaarlozing, buitensluiting en misbruik oorzaak zijn van deze trauma’s. Ze kunnen diepe, emotionele, onbewuste sporen nalaten, die soms als waarheid boven tafel komen. Ik noem dan Kohut (blog 3), Freud (blog 9), Bowlby (blog 19), Shapiro (blog 51) en Ruppert (blog 57) .

Ik denk eigenlijk dat ze allebei gelijk hebben. Een trauma kan ontstaan door een juiste interpretatie, maar ook door een verkeerde interpretatie van de werkelijkheid. Een trauma kan zelfs ontstaan door suggestie of verbeelding. De oorzaak van het trauma maakt echter niet uit voor de ervaring. De ervaring van een trauma is niet minder erg of minder waar.

Je kunt je iets verbeelden bijvoorbeeld dat je broer of zus de pik op je heeft en niet van je houdt, en daardoor een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren. Je beleeft dat echt, ook als de afwijzing zelf door verbeelding of een verkeerde interpretatie is ontstaan.

Een kind kan het bijvoorbeeld als traumatisch hebben ervaren dat ze naar een internaat gestuurd is omdat ze geloofde dat ze een lastig en onwelkom kind was. In werkelijkheid hield de moeder misschien weldegelijk van het kind, maar was ze niet sterk genoeg om voor haar te zorgen. Daarmee is de ervaring van het kind die het wegsturen naar het internaat als afwijzing of buitensluiting ervaren heeft, echter niet minder ernstig.

Een pijnlijk gevoel is geen verbeelding

Voor de ervaring maakt het niet uit of iets een werkelijke of vermeende afwijzing is geweest. Ik wil daarom graag voorstellen dat we er van uitgaan dat de emotionele gebeurtenis waarover een cliënt vertelt, waar gebeurd is. De al dan niet gekleurde waarneming van die gebeurtenis wordt namelijk door die persoon echt op dat moment waargenomen en vooral gevoeld.

We kunnen die eigen emotionele werkelijkheid van de cliënt voor waar aannemen. Hij heeft het echt ervaren en het is echt gebeurd. Een kind kan de slagen van zijn vader die bedoeld werden als opvoedend of begrenzend als vernederend of kleinerend hebben beleefd. Een kind waarvan de ouders regelmatig suggereren dat het dom is of lelijk, zal dat geloven en een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren.

We kunnen de beleving van de cliënt als waarheid aannemen en zijn pijnlijkste gevoelens door afwijzing van vader of moeder, of er niet bij te horen, ontvangen en laten spreken. Bovendien laten de gevolgen van gebeurtenissen, die als traumatisch zijn ervaren, bewust dan wel onbewust allerlei aantoonbare sporen na in de hersenen. Die sporen kunnen pas veranderen nadat ze erkend worden als waar ervaren, en serieus genomen zijn.

Een beleefde gebeurtenis is een werkelijke gebeurtenis

Hoe bedoel ik dat, de eigen emotionele werkelijkheid voor waar aannemen? Hoe precies kan de eigen emotionele werkelijkheid waar zijn? Eigenlijk kan dat vrij eenvoudig. De werkelijkheid wordt voortdurend gekleurd door onze emoties vaak zonder dat we het in de gaten hebben. We denken dat we iets neutraal waarnemen, maar dat is meestal juist niet het geval.

Denk bijvoorbeeld eens aan een prachtige Witte bloem die ik jou cadeau geef. Ik heb hem speciaal voor jou gekocht. Ik heb de mooiste, witte bloem die ik kon vinden in de bloemenwinkel voor je uitgezocht. Ik dacht of verbeeldde me dat jij de bloem heel mooi zou vinden. Ik voelde me daarbij heel prettig en dacht er aan hoe jouw gezicht zou stralen als ik je de bloem gaf. Die emotie gaf me een goed gevoel en veroorzaakte kleine chemische reacties en golven in mijn hersenen. Dat is wetenschappelijk tegenwoordig zelfs meetbaar en zichtbaar te maken. Die emotie gebeurt echt.

Op het moment dat ik je de prachtige, witte bloem geef, voel ik me weer zo, prettig en stralend. Jij voelt dat helaas niet. Jij ziet alleen een enkele witte bloem en je had eigenlijk liever een grote bos rode rozen gehad. Jij voelt niet hetzelfde als ik. Je bent teleurgesteld en kijkt nauwelijks naar de bloem en ook niet naar mij. Ook die emotie gebeurt echt. Ik voel me nog stralen en jij voelt teleurstelling door dezelfde witte bloem.

We ervaren allebei een andere emotionele werkelijkheid die echt gebeurt op hetzelfde moment. Er zijn twee echte, maar verschillende ervaringen naar aanleiding van dezelfde witte bloem. De eigen emotioneel gekleurde werkelijkheid is gewoon een objectief met meetinstrumenten aantoonbare en voelbare gebeurtenis van chemische reacties in het lichaam.


Inleven in andermans werkelijkheid

Even later vang ik je blik en ik zie je teleurstelling. Ik zou je kunnen vragen naar wat je voelt, en je zou me, als je durft, dan jouw ervaren werkelijkheid kunnen vertellen. Die ervaring is geen verbeelding, je hebt het net zelf gevoeld. En misschien zou ik hetzelfde kunnen gaan voelen, als je me vertelt waarom je een bos rode rozen had verwacht in plaats van een enkele witte bloem. Dan hebben we even een gemeenschappelijke waarheid.

Zo kun je ook het verschil in beleving begrijpen tussen een kind dat geslagen werd en zijn vader die het kind terecht wees. Misschien kunnen we dat verschil nog achterhalen als het kind en vader met elkaar spreken en uitwisselen wat ze hebben ervaren. De vader kan vertellen waarom hij het kind sloeg, bijvoorbeeld met een goede bedoeling om het kind te begrenzen en normen te leren, of met minder goede bedoelingen, bijvoorbeeld omdat zijn vader het zelf ook deed, of omdat hij te dronken was en zich niet kon beheersen.

Er is zeker een verschil tussen een pak slaag van een dronken vader of van een dominant, begrenzende vader. Een kind zal dat onderscheid echter vaak niet kunnen maken. Het kind kan wel van zijn kant vertellen hoe hij het ervaren heeft en bij hem is binnengekomen, bijvoorbeeld als een terechte correctie, een bedreiging, een afwijzing of vernedering.

Als een kind eerlijk durfde te vertellen hoe hij zich voelde na een pak slaag en een vader zou ook eerlijk vertellen waarom hij het pak slaag heeft gegeven, dan kan er een wederzijds begrip ontstaan en een gezamenlijke waarheid. Er ontstaat een uitwisselen van ervaringen en een verdieping van contact in plaats van het eenrichtingsverkeer van ouder naar kind.

Blanchefleur Johnston Blanchefleur Johnston

 

Advertenties

27. Beck: cognitieve therapie

Hoe kan therapie genezen 27.

Cognitieve therapie zie ik als een heel verstandige en bewonderenswaardige vorm van therapie die goed kan werken bij cliënten met lichte tot matige psychische klachten. Graag vertel ik je over de ervaringen van vader en dochter Beck, die aan de wieg stonden van deze therapie. Wat zijn hun ideeën over hoe cognitieve therapie cliënten kan helpen genezen?

Aaron Beck (1990), geboren in 1921 en een Amerikaanse psychiater, wordt gezien als de vader van de cognitieve therapie. Hij begon zijn praktijk als psychoanalyticus en deed veel onderzoek naar de resultaten ervan bij zijn cliënten. Net als veel van zijn psychoanalytische voorgangers vond Beck het productiever om de kern van de problemen bij cliënten te identificeren en te veranderen dan alleen de symptomen ervan aan te pakken.

Hij ontdekte echter dat de psychoanalytische therapie die hij beoefende vaak niet goed en zelfs averechts kon werken. Hij merkte ook dat de gedachtewereld van de cliënt cruciaal bleek bij het verergeren van sommige problemen. Veel van zijn cliënten hadden irreële, negatieve gedachten over zichzelf die hun psychische toestand sterk beïnvloedde.

Dat was op zich niet nieuw. Veel psychoanalytici constateerden dat de denkwereld van de cliënt een enorme invloed had op de klachten en symptomen. Denk maar aan Karen Horney (blog 6, 7 en 8) die de oorzaak van veel klachten legt bij de wens om aan een ideaal beeld te willen voldoen. Of denk aan Melanie Klein (blog 17 en 18) die de fantasie van het kind, en de zeer persoonlijke, gekleurde waarneming een enorme rol toekent bij het ontstaan van symptomen en traumatische ervaringen.

Beck verschilde echter van mening over de toegankelijkheid van de kernproblemen. Hij ging er vanuit dat deze kernproblemen niet onbewust en weinig toegankelijk zijn zoals de psychoanalyse veronderstelt, maar dat ze gewoon op een bewust niveau te benaderen zijn. De disfunctionele gedachten bleek je direct te kunnen beïnvloeden en te veranderen tot meer reële functionele gedachten.

Met de juiste training konden volgens Beck de disfunctionele, automatische kerngedachten steeds toegankelijker en meer benaderbaar worden. Met enkele collega’s heeft hij daarvoor vervolgens een gedegen methode ontwikkeld. Zijn dochter Judith Beck heeft dit nog verder uitgewerkt. Zij beschreef de principes van de cognitieve therapie heel helder in haar boek Cognitieve Therapy, Basics and Beyond (1995). Ik zal enkele van die principes toelichten.

Welke gedachte ging er net door je heen?
De cruciale vraag in cognitieve therapie is: ‘welke gedachte ging er net door je heen?’ Misschien vraag je je na mijn vorige tamelijke complexe verhaal over de psychoanalytische therapie wel af hoe deze vrij eenvoudige vraag zou kunnen helpen bij het verminderen van psychische klachten. Zelf heb ik veel ervaring in de cognitieve therapie en sta nog altijd versteld van de mogelijkheden om met je gedachten je gevoel en je gedrag te leren veranderen.

Beck (1995) veronderstelt dat een cliënt allerlei automatische gedachten en overtuigingen heeft die samenhangen met de psychische problemen. Een therapeut moet er zo goed mogelijk achter zien te komen hoe deze automatische gedachten en overtuigingen van de cliënt er uit zien en hoe ze bijdragen aan de huidige psychische problemen.

De meest efficiënte en effectieve therapie bestaat uit het zo accuraat mogelijk inschatten van de gedachtewereld van de cliënt, zijn aannames, verwachtingen, beelden, regels, en houding ten opzichte van anderen die de klachten in stand houden.

Vervolgens werken de therapeut en cliënt samen om deze gedachten en overtuigingen te veranderen. Een empathische houding is daarbij erg van belang. Het gaat niet om cliënten hun overtuigingen uit hun hoofd te praten, maar de cliënt in zijn gedachtewereld zo goed mogelijk te begrijpen en samen tot concrete doelen van de therapie te komen die haalbaar zijn voor de cliënt en de therapeut. Zo ziet cognitieve therapie er heel in het kort uit.

Ik wil je er niet te veel over vertellen, maar toch nog net iets meer om je eigen oordeel over deze therapie te vormen. Dat gaat over de wezenlijk verandering door cognitieve therapie.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Beck, A.T., Freeman A. and associates (1990). Cognitive Therapy of Personality Disorders. New York: The Guillford Press.
Beck, J.S. (1995). Cognitive Therapy, Basics and Beyond. New York: The Guillford Press.

 

24. Extra risico op traumatische ervaringen bij gevoelige kinderen

Hoe kan therapie genezen 24.

Het verschil van opvatting over het ontstaan van trauma’s tussen therapeuten zoals Bowlby en Klein vind ik intrigerend. Wie zou er gelijk hebben? Therapeuten die menen dat negatieve ervaringen of trauma’s vooral ontstaan in de gekleurde waarneming van het kind zoals Melanie Klein (1975), of therapeuten die menen dat negatieve ervaringen of trauma’s echt en werkelijk gebeurd zijn zoals Bowlby (1980)?

Ik denk dat het allebei het geval kan zijn. Het kan zowel komen door echte afwijzing, daadwerkelijk verstoten of verwaarloosd worden, als door afwijzing die niet zo bedoeld is, maar wel zo overgekomen of geïnterpreteerd werd. Gevoelige, kwetsbare kinderen lopen daarbij extra veel risico omdat zij relatief gewone, nare gebeurtenissen al als traumatisch kunnen ervaren. En grote negatieve gebeurtenissen als extreem traumatisch kunnen ervaren. Ook zijn er wat dat betreft sterke kinderen die relatief weinig last hebben van duidelijk negatieve gebeurtenissen en meer gevoelige kinderen die snel gekwetst of geraakt zijn.

Daar laat ik het nu even bij. Straks kom ik nog wel terug op het verschil tussen echte en verbeelde trauma’s. Nu ga ik eerst weer terug naar de interne wereld van de cliënt. Uiteindelijk kan ik namelijk als therapeut de omgeving en de ouders vaak niet direct bij de individuele behandeling betrekken. Het effect van hun gedrag zal ik bovendien weer tegenkomen in de manier waarop de cliënt denkt en handelt, en de manier waarop problemen of klachten tot uiting komen. Een individuele behandeling richt zich toch vooral op de binnenwereld van de cliënt.

De hechtingtheorie zelf komt ook nog aan de orde als ik inga op de relatietherapie van Sue Johnston. Bij relatietherapie is er namelijk wel een stukje van de omgeving aanwezig, de partner. Dan kan je als therapeut de invloed van hechting veel makkelijker zichtbaar maken en gebruiken in de therapie.

Ik ga nu eerst verder met de ideeën van een moderne psychiater, Gabbard (2010), die geïnspireerd werd door theorieën van eerdere psychoanalytici. Deze psychiater wees me op een probleem waar ik ook mee worstel namelijk dat, hoe mooi je theorie of aanpak ook is, er ook steeds tekortkomingen aan kleven.

Gabbard: moderne psychodynamische psychotherapie
De ideeën van veel psychoanalytici werden door hun opvolgers verfijnd, veranderd en gemoderniseerd. Een van de hedendaagse therapieën die gebaseerd werden op de rijkdom aan ideeën binnen de psychoanalyse is de psychodynamische psychotherapie. De Amerikaanse psychiater Glenn Gabbard, geboren in 1949, schreef onder andere een boek over de psychologie van de Sopranofamilie, The Psychology of the Sopranos: Love, Death, Desire and Betrayal in America’s Favorite Gangster Family.

Die titel spreekt me erg aan en wekt bij mij de indruk dat hij heel wat ervaring heeft metde achterkant van de samenleving en onderkant van de menselijke geest. Flauw woordgrapje zal je misschien denken, maar soms heb ik er behoefte aan om uitdrukkingen of woorden aan te passen omdat het dan net iets beter bij mijn eigen gevoel past. Ik moet overigens bekennen dat ik het boek zelf nog niet gelezen heb. Wel ken ik zijn boek ‘Psychodynamische therapie in de praktijk’ (Gabbard, 2010). Daarin legt hij heel helder de principes van de psychodynamische psychotherapie uit. Ik beperk me hier tot wat hij denkt hoe therapie kan werken.

Gabbard is tamelijk bescheiden over genezing door therapie. Hij gaat wel uit van vooruitgang door therapie. Hij zegt dat je alleen de vooruitgang van een cliënt kan bijhouden als je enig idee hebt van de manier waarop psychodynamische therapie werkt. Hij stelt dat het een enorme opgave is om vast te stellen wat de mechanismen van therapeutisch handelen zijn.

Hij ziet alleen al een groot probleem om daar achter te komen omdat wij therapeuten de neiging hebben veel te veel waarde te hechten aan onze theorieën: we denken graag dat onze voortreffelijk geformuleerde interpretaties op grond van een bepaalde theorie bij de cliënt tot diepzinnige inzichten zal leiden.

Ook de cliënten zelf zullen vaak niet veel betrouwbaarder kunnen vertellen wat heeft geholpen dan therapeuten. Volgens hem vinden veel veranderingen waarschijnlijk onbewust plaats. Toch gaat hij er gelukkig wel verder op in wat de mogelijke mechanismen zijn hoe therapie kan helpen. Het heeft te maken met de doelstelling die de therapeut voor ogen heeft. Dat licht ik zo graag verder toe.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Gabbard, G. (2010). Psychodynamische therapie in de praktijk. Amsterdam: Hogrefe. Klein, M. (1975). Love, Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.

 

 

23. Traumatische ervaringen door onveilige omgeving?

Hoe kan therapie genezen 23.

Bowlby heeft als een van de eerste therapeuten aandacht gevraagd voor echte traumatische ervaringen door de opvoeding. Volgens hem kan een gebrekkige sensitiviteit van opvoeders een directe oorzaak zijn van onveilig hechtingsgedrag, traumatische ervaringen en gevoelens van verwaarlozing en eenzaamheid bij kinderen (Bowlby 1980). In zijn tijd in de jaren zestig was dat zeker niet onomstreden. Ik kan me ook voorstellen dat psychoanalytici het erg oneens waren met Bowlby.

Plotseling kwamen klachten en symptomen niet meer voort uit verborgen wensen en behoeften of beschamende gedachten van het kind (zie bv de eerdere blogs over Freud, Horney en Klein), maar werden toegeschreven aan de ongevoeligheid van de ouders of opvoeders naar het kind toe. Belevingen van traumatische gebeurtenissen bleken niet slechts door de fantasie gekleurde ervaringen, maar reële tekortkomingen van de omgeving die niet sensitief genoeg had gereageerd. Er bleek sprake van echte verwaarlozende omgeving in plaats van een gewone, normale omgeving die als te negatief beleefd werd.

Bij alle vorige therapieën kwam de omgeving eigenlijk niet direct ter sprake. De genezing van klachten bevond zich in de persoon zelf. De mogelijkheid om te komen tot een integratie van positieve en negatieve ervaringen bood kans op genezing. Maar wat nu als de omgeving de voornaamste oorzaak van klachten is? Schieten we daar iets mee op? Moeten we nu alle ouders gaan instrueren hoe ze er voor kunnen zorgen dat hun kind veilig gehecht kan raken? Ja, dat zou ik best graag willen.

Voorkomen van trauma en verwerking van emoties
Een cursus voor ouders zou dan kunnen inhouden wat therapeuten hun cliënten later als nog proberen te leren. Ik denk dan vooral aan het op een gezonde manier omgaan met allerlei heftige emoties als woede, schaamte, verdriet, angst voor ziekte en dood, wantrouwen, trots, vernedering, liefde, betrokkenheid, zorgzaamheid en het aangaan van waardevolle relaties met anderen. Ik had graag gewild dat mijn ouders, die me zo’n mooie naam gaven, dat voor me hadden kunnen betekenen. Ik zou heel graag willen dat ik dat voor mijn kinderen zou kunnen betekenen.

Ik weet echter dat ik daar maar gedeeltelijk aan kan voldoen. Ik ben slechts gedeeltelijk een sensitieve opvoeder. Ik bemerk vaak een strijd tussen willen zorgen voor mijn drie kinderen en het toegeven aan mijn eigen behoeften. Ik doe mijn best voor mijn kinderen, maar ik weet dat ik helaas regelmatig tekortschiet, omdat ik eigenlijk zo graag werk en soms te weinig tijd voor hen vrijmaak.

Tegelijkertijd probeer ik ze allerlei trauma’s te besparen, waardoor ze mogelijk juist te weinig leren omgaan met frustraties. Ik trek soms de haren uit mijn hoofd uit overbezorgdheid over hoe ik ze groot kan brengen tot stevige, aardige, zelfstandige volwassen. Ik troost me met de gedachte dat ik ook geen perfecte, ideale moeder hoef te zijn. De psychoanalyticus Winnicott gebruikte wel de uitdrukking ‘goed genoeg’ moeder. Daar heb ik houvast aan. Ook denk ik dat een moeder af en toe moet falen in de ogen van haar kinderen, en afwijzing voor lief moet nemen, om uiteindelijk echt emotioneel tot elkaar te komen.

Ik maak me regelmatig zorgen over nare ervaringen die ze in hun leven kunnen oplopen en of ik hen daarbij wel genoeg kan steunen. Ik heb er wat dat betreft groot belang bij om zo goed mogelijk in te schatten welke gebeurtenissen een traumatisch impact hebben. Laat ik daarom nog even verder ingaan op het verschil tussen de echt ervaren trauma’s van Bowlby en de verbeelde trauma’s van Klein.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.

20. Veilige en onveilige gehechtheid

Hoe kan therapie genezen 20.

De ideeën van Bowlby over het hechtingsgedrag bij kinderen werden verder ontwikkeld en in de praktijk toegepast door Marie Ainsworth. Ainsworth deed onderzoek naar verschillende manieren van gehechtheid bij kinderen door een stressvolle situatie na te bootsen (Bowlby, 1980). Daarbij verlaat de moeder de kamer waar haar kind aan het spelen is. Ze laat het achter bij een vreemde en komt daarna weer terug.

In het gedrag wat ze daarbij observeerde kon ze vier verschillende manieren van gehechtheid herkennen. Ik schets ze hier heel kort.
1. Veilig gehecht: een kind dat wat gespannen raakt als de moeder het alleen laat en blij is als de moeder weer terugkomt.
2. Onveilig-ambivalent gehecht: een kind dat het moeilijk heeft als de moeder weggaat en de moeder weer opzoekt als ze terug komt, maar wel negatieve emoties toont of zich afwerend of juist aanklampend en zorgbehoeftig gedraagt. Het kind heeft een soort dubbele, ambivalente houding naar de moeder met zowel heel positieve als negatieve gevoelens.
3. Onveilig-vermijdend gehecht: een kind dat de moeder negeert en niet opzoekt als ze terugkomt.
4. Gedesorganiseerd gehecht: een kind dat niet weet wat het moet doen, de moeder tijdelijk negeert als ze terugkomt, of wel opzoekt maar dan bevriest, of ander, soms vreemd gedrag vertoont waaruit blijkt dat het bang is voor de ouder.

Dit onderzoek werd zeer bekend. Het wordt nog steeds veel gebruikt om de kwaliteit van hechting bij kinderen te achterhalen. Misschien wel het belangrijkste verschil met eerdere ideeën (zie Melanie Klein) en onderzoek is dat de oorzaak van onveiligheid hier niet aan het kind of de situatie wordt toegeschreven, maar aan de opvoeder, meestal de moeder. Haar sensitiviteit voor de signalen van het kind en het al dan niet ingaan op diens behoefte aan bescherming en begrenzing vormt de basis van de gehechtheid. Veilige hechting kan ontstaan als een moeder sensitief genoeg is, de signalen van het kind snel kan waarnemen, goed weet te interpreteren, en er direct en adequaat op kan reageren.

Opvoeder als bron van stress
Dit idee dat de opvoeder niet alleen belangrijk is voor voeding en verzorging, maar ook voor het gevoel van veiligheid in het kind maakt veel uit. Het doet een veel groter beroep op de communicatievaardigheden van de ouder dan daarvoor werd gedacht.

Je kunt je voorstellen dat er vooral in de communicatie veel mis kan gaan tussen het kind en de ouders, met name bij ouders die zelf niet goed geleerd hebben om sensitief te reageren op het kind. Als een moeder bijvoorbeeld zelf onveilig gehecht is, of meer op zichzelf en haar eigen behoeften gericht is dan op het kind, zal ze minder makkelijk openstaan voor emotionele signalen. Deze belangstelling voor sensitieve communicatie tussen ouder en kind heeft in de jaren zestig en zeventig dan ook gezorgd voor een aardverschuiving in de manier waarop tegen opvoeders en de opvoeding werd aangekeken.

Hechtingsgedrag heeft ook gevolgen voor het leren omgaan met trauma’s in de kindertijd. Kinderen die iets moeilijks, angstigs of bedreigends meemaken kunnen hier makkelijker mee omgaan als er op dat moment een ouder beschikbaar is die het kind opvangt, steunt, troost en weer een veilig gevoel geeft.

Kinderen die om wat voor reden dan ook geen steun of veiligheid vinden bij hun opvoeder, zullen waarschijnlijk meer moeite hebben om een dergelijke gebeurtenis te verwerken. Zij blijven vaker of langer zitten met een dreigend gevoel van onveiligheid en zonder de ervaring dat er iemand is die hen er doorheen helpt. Deze kinderen verzinnen vaker eigen oplossingen om met de gebeurtenis om te gaan waarbij ze geen beroep hoeven doen op een ander. Ze missen daarbij feedback waardoor een bedreigende gebeurtenis ook in alle mogelijke proporties in hun fantasie kan gaan rondspoken.

Hoe belangrijk ik de hechtingtheorie vind, wordt hierdoor denk ik wel duidelijk. Er zijn ook wetenschappelijk bewijzen voor het belang van veilige hechting gevonden die ik kort wil aanstippen.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.
 

19. Bowlby: gehechtheid en hechtingsgedrag

Hoe kan therapie genezen 19.

Bowlby, een Britse psychiater en psychoanalyticus die leefde van 1907 tot 1990, volgde een deel van zijn opleiding bij Melanie Klein. Hij kon zich echter niet echt goed vinden in de ideeën van Klein (1975) over hoe therapie een kind kon helpen. Hij verschilde vooral duidelijk van mening als het ging over de rol van de moeder voor het kind. Zoals gezegd (vorige blog) benadrukte Melanie Klein de fantasie waarmee een kind de werkelijke relatie met anderen kleurt en invult vanuit zijn eigen emotionele verlangens. Bowlby nam daar afstand van.

Naar zijn mening reageerden kinderen op echte reële gebeurtenissen en niet vanuit onbewuste wensen of fantasieën. Zelf had hij als kind weinig aandacht gekregen van zijn ouders en werd al vroeg naar een kostschool gestuurd. Deze eigen reële en traumatische periode in zijn leven speelde daarbij mogelijk een rol.

Zijn interesse in de impact van waargebeurde situaties op kinderen werd trouwens in die tijd door andere psychoanalytici weinig gewaardeerd. Dat kun je je misschien ook wel voorstellen omdat de psychoanalytische theorie inmiddels fantastische proporties had aangenomen waarbij vooral de binnenwereld van de cliënt werd bestudeerd in al zijn wonderlijke, soms bizarre, immorele of agressieve, meestal onderdrukte behoeften.

Bovendien stelde hij de traditionele verklaring waarom kinderen aan hun moeder gehecht raken ter discussie (Bowlby, 1980). De meest gangbare verklaring op dat moment hield in dat kinderen gehecht raakten omdat ze vanwege de voeding afhankelijk zijn van hun moeder. Oftewel, kinderen worden door de voeding die ze van hun moeder krijgen steeds weer positief beloond en ontwikkelen door deze beloning een positieve, warme band met hun moeder. In zijn boek ‘Attachment and loss’ (1980) stelde Bowlby dat deze beloningstheorie, of ook wel secundaire behoeftetheorie zoals hij het noemde, de band tussen moeder en kind niet goed genoeg kan verklaren.

Nieuwe verklaring voor de band tussen moeder en kind
Mede vanuit zijn ervaringen tijdens het behandelen van kinderen ontwikkelde Bowlby tegen de stroom in een andere theorie, de gehechtheidtheorie. Hij wilde daarmee ook verschillen in gezonde en pathologische ontwikkelingen bij kinderen op een nieuwe manier verklaren (IJzendoorn et al., 2010). Hij constateerde dat hechtingsgedrag eigenlijk een evolutionaire overlevingsstrategie is om een kind te beschermen tegen vreemden en indringers. Het is een emotionele, automatische reactie om bij gevaar bescherming te zoeken bij een veilig bekend persoon (Bolwby, 1980).

Deze reactie is heel natuurlijk en automatisch, en staat in dienst van de overleving van de soort. Het gevaar is samen veel beter te hanteren en te overleven dan als je er alleen voorstaat, en de heftigheid van de angst en emoties zullen dan navenant ook minder zijn. Veilig gehechte kinderen hebben goed geleerd dat ze een beroep op een ander kunnen doen als ze zich onrustig, gespannen of angstig voelen.

Deze benadering van gehechtheid verschilde op een belangrijke manier van de oude belonings- of secundaire behoeftetheorie. Bij de beloningstheorie is het kind afhankelijk van de moeder voor zijn eten direct vanaf de geboorte. Deze afhankelijkheid neemt steeds verder af naarmate een kind ouder wordt, en uiteindelijk kan het kind voor zichzelf zorgen. De theorie van gehechtheid stelt echter dat de band tussen moeder en kind even waardevol en belangrijk blijft ook als het kind inmiddels fysiek voor zichzelf kan zorgen.

Ook de emoties die gepaard gaan met verlies van hechting verschillen fundamenteel van emoties die gepaard gaan met gebrek aan voedsel of fysieke zorg. De behoefte aan veiligheid en bescherming gegeven door een moeder kan veel grotere en heftigere emoties losmaken als er niet aan wordt voldaan dan de behoefte aan een moeder vanwege de het verkrijgen van voedsel.

Aan het gedrag van kinderen kun je volgens Bowlby merken of ze veilig gehecht zijn. Veilig gesteunde kinderen zullen contact zoeken met moeder of andere opvoeder in tijden van angst, spanning, vermoeidheid, ziekte of verdriet. De moeder of een beschermende opvoeder kan het kind helpen om met zijn emoties te hanteren tijdens moeilijke situaties. Daardoor leert het kind hoe het met allerlei emoties, lichamelijke reacties en stress kan omgaan. Het leert dat veel onplezierige reacties en negatieve emoties die als overweldigend aanvoelen uiteindelijk wel te dragen zijn en dat er iemand anders is die dat veilig kan opvangen of begrenzen.

Voor de opvoeding, voor therapie en voor de kijk op trauma’s in de kindertijd heeft dit behoorlijk grote gevolgen. Om de impact daarvan te kunnen begrijpen, zal ik ook ingaan op Marie Ainsworth, die vaak in een adem met Bowlby genoemd wordt.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.
IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma. Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.

 

 

 

18. Extreme zwart-wit beelden van de kindertijd

Hoe kan therapie genezen 18.

Het gedachtegoed van Melanie Klein (1975) over hoe therapie kan genezen wordt naar mijn idee beheerst door grote fantasieën in de kindertijd. Melanie Klein heeft in haar therapie een zeer grote rol toegekend aan de fantasie. Bij haar is het niet de moeder zelf die tekort geschoten is in zorg en moederliefde zoals bijvoorbeeld bij Kohut (zie blog 4, ‘contact even noodzakelijk als zuurstof’). Zij gaat er vanuit dat tekorten ontstaan omdat het kind de realiteit ziet door een bril van fantasie. Een kind kan de realiteit nog niet goed zien en heeft de neiging om die te interpreteren in een zwart-wit beeld van helemaal goed of helemaal slecht.

Op het moment dat een moeder tegemoet komt aan behoeften van het kind, ervaart het een grote bevrediging en ontspanning. Hij ziet zijn moeder die hem zoveel kan geven als heel goed en lief. Op het moment dat zijn moeder hem die bevrediging niet kan geven, wat natuurlijk regelmatig voorkomt, ziet hij haar als kwaad en slecht, en voelt zich in de steek gelaten. Hij voelt de wereld als goed of slecht al naar gelang er wel of niet aan zijn behoeften wordt voldaan.

De interne gevoelswereld wordt gebruikt om zichzelf, de moeder en de externe wereld te interpreteren. Je kunt je voorstellen dat een moeder op geen enkele manier steeds kan blijven voldoen aan de behoeften van een kind. Een kind kan kwaad worden op zijn moeder en zich daarover slecht gaan voelen op moment dat ze er niet voor hem kan zijn.

Kein nam vervolgens de positie in dat de fantasie van een kind door de minder prettige ervaringen alle contacten met anderen en vooral de moeder kleurt. Hij kan die ander vernietigen of juist idealiseren, ongeacht de persoonlijkheid van de moeder. De psychoanalytische therapie van Klein richtte zich op het bewust worden van deze fantasieën.

Genezing ontstaat door realisering en integratie van de negatieve en positieve fantasieën over de eigen plaats in de wereld, gekleurd door woede, schuldgevoelens en zelfvernietiging enerzijds, en anderzijds gevoelens van onvoorwaardelijke liefde en aanhankelijkheid. Het therapieproces bestaat uit het keer op keer beleven van dit ambivalentieconflict en de uiteindelijke integratie en vrij kunnen uiten van allerlei gevoelens. Deze doorwerking en integratie van positief en negatief gekleurde fantasieën zou je bij haar een sleutelingrediënt van therapie kunnen noemen.

Enorme fantasie en kwade neigingen
Melanie Klein kon behoorlijk ver gaan in het verklaren van gedrag door de fantasie. Ze ging er bijvoorbeeld vanuit dat een meisje de onbewuste wens heeft om een kind te krijgen van haar vader. Het niet toegeven aan deze wens door haar vader en jaloezie op haar moeder kon dan aanleiding geven tot zeer agressieve, sadistische fantasieën bij de dochter.

De penis werd kwaadaardig en destructief zodat ook haar moeder daar geen plezier van kon hebben. Deze fantasieën riepen vervolgens schuldgevoelens op waardoor de dochter ook weer de neiging kreeg om het goed te maken bij haar ouders. Op deze manier kon seksualiteit een gevaarlijk en slecht karakter krijgen en onderdrukt worden (Klein, 1975).

Aan het eind van haar leven was Melanie Klein net als Freud een stuk pessimistischer over het daadwerkelijk kunnen genezen van cliënten. Ze kreeg de ervaring dat er bij sommige cliënten een enorme weerstand bestond tegen verandering. Ze veronderstelde dat daarbij mogelijk aangeboren belemmerende of zelfs kwaadaardige eigenschappen een rol speelden. Daar wil ik liever niet aan denken. Het geloof in het goede heb ik gelukkig nog kunnen behouden.

Per vergissing gebruik ik in plaats van het woord fantasmagorisch wel eens het woord fantasmoragisch als ik aan haar ideeën denk. Dat woord heeft voor mij iets van gesmoorde, tragische fantasie, datgene wat mensen wel willen voelen maar liever voor zichzelf willen houden, een gevoel van weemoedigheid en vaag verdriet. Liefst zou ik de ideeën van Klein daar willen onderbrengen. Ze hebben iets tragisch.

Melanie Klein kende de fantasie van het kind, en de zeer persoonlijke, gekleurde waarneming een enorme rol toe. Ervaringen en trauma’s die een kind overkomen, zouden zo ook vooral het product van verbeelding en fantasie zijn. Ze hield wat dat betreft weinig rekening met invloeden van de opvoeders en de omgeving. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat ze misschien haar eigen ouders wilde sparen en daarom wat te eenzijdig bleef kijken naar verbeelding en fantasie.

Bowlby, een leerling van haar, vond dat zij te veel nadruk legde op de fantasieën van het kind. Bowlby zocht de oorzaak van psychische klachten steeds minder in die fantasieën en begon de nadruk te leggen op de gevoeligheid en ongevoeligheid van de opvoeder. Daar vind ik ook veel voor te zeggen en ik ga dan ook graag verder met de ideeën van Bowlby.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.