75. Echte en verbeelde waarheid

Hoe kan therapie genezen 75.

Nu wil ik mijn naam eer aandoen als Candida Albicans Blanchefleur, en zo meteen een mooie Witte Bloem aan je geven. Eerst wil ik je aandacht vragen voor een probleem over de waarheid en impact van traumatische ervaringen. Voor mij is het belangrijk om dit probleem zo goed mogelijk te verhelderen, ook al kan ik misschien niet helemaal de juiste woorden vinden om het over te brengen.

Al eerder kwam er een verschil van mening naar voren tussen twee verschillende groepen therapeuten. Aan de ene kant zijn er therapeuten die geloven dat je eigen interpretatie, emotionele inkleuring, idealisering en fantasie van de werkelijkheid een belangrijke oorzaak is van trauma’s en psychische klachten. Ik denk bijvoorbeeld aan Karen Horney (blog 6), Melanie Klein (blog 17) en de cognitieve therapeuten als Beck (blog 27), of aan de wetenschapper Merckelbach (blog 55) en de neuroloog Babinski (Blog 56).

Aan de andere kant heb je therapeuten die geloven dat de trauma’s echt en reëel zijn. Ze geloven dat echt gebeurde akelige ervaringen in je jeugd zoals verwaarlozing, buitensluiting en misbruik oorzaak zijn van deze trauma’s. Ze kunnen diepe, emotionele, onbewuste sporen nalaten, die soms als waarheid boven tafel komen. Ik noem dan Kohut (blog 3), Freud (blog 9), Bowlby (blog 19), Shapiro (blog 51) en Ruppert (blog 57) .

Ik denk eigenlijk dat ze allebei gelijk hebben. Een trauma kan ontstaan door een juiste interpretatie, maar ook door een verkeerde interpretatie van de werkelijkheid. Een trauma kan zelfs ontstaan door suggestie of verbeelding. De oorzaak van het trauma maakt echter niet uit voor de ervaring. De ervaring van een trauma is niet minder erg of minder waar.

Je kunt je iets verbeelden bijvoorbeeld dat je broer of zus de pik op je heeft en niet van je houdt, en daardoor een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren. Je beleeft dat echt, ook als de afwijzing zelf door verbeelding of een verkeerde interpretatie is ontstaan.

Een kind kan het bijvoorbeeld als traumatisch hebben ervaren dat ze naar een internaat gestuurd is omdat ze geloofde dat ze een lastig en onwelkom kind was. In werkelijkheid hield de moeder misschien weldegelijk van het kind, maar was ze niet sterk genoeg om voor haar te zorgen. Daarmee is de ervaring van het kind die het wegsturen naar het internaat als afwijzing of buitensluiting ervaren heeft, echter niet minder ernstig.

Een pijnlijk gevoel is geen verbeelding

Voor de ervaring maakt het niet uit of iets een werkelijke of vermeende afwijzing is geweest. Ik wil daarom graag voorstellen dat we er van uitgaan dat de emotionele gebeurtenis waarover een cliënt vertelt, waar gebeurd is. De al dan niet gekleurde waarneming van die gebeurtenis wordt namelijk door die persoon echt op dat moment waargenomen en vooral gevoeld.

We kunnen die eigen emotionele werkelijkheid van de cliënt voor waar aannemen. Hij heeft het echt ervaren en het is echt gebeurd. Een kind kan de slagen van zijn vader die bedoeld werden als opvoedend of begrenzend als vernederend of kleinerend hebben beleefd. Een kind waarvan de ouders regelmatig suggereren dat het dom is of lelijk, zal dat geloven en een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren.

We kunnen de beleving van de cliënt als waarheid aannemen en zijn pijnlijkste gevoelens door afwijzing van vader of moeder, of er niet bij te horen, ontvangen en laten spreken. Bovendien laten de gevolgen van gebeurtenissen, die als traumatisch zijn ervaren, bewust dan wel onbewust allerlei aantoonbare sporen na in de hersenen. Die sporen kunnen pas veranderen nadat ze erkend worden als waar ervaren, en serieus genomen zijn.

Een beleefde gebeurtenis is een werkelijke gebeurtenis

Hoe bedoel ik dat, de eigen emotionele werkelijkheid voor waar aannemen? Hoe precies kan de eigen emotionele werkelijkheid waar zijn? Eigenlijk kan dat vrij eenvoudig. De werkelijkheid wordt voortdurend gekleurd door onze emoties vaak zonder dat we het in de gaten hebben. We denken dat we iets neutraal waarnemen, maar dat is meestal juist niet het geval.

Denk bijvoorbeeld eens aan een prachtige Witte bloem die ik jou cadeau geef. Ik heb hem speciaal voor jou gekocht. Ik heb de mooiste, witte bloem die ik kon vinden in de bloemenwinkel voor je uitgezocht. Ik dacht of verbeeldde me dat jij de bloem heel mooi zou vinden. Ik voelde me daarbij heel prettig en dacht er aan hoe jouw gezicht zou stralen als ik je de bloem gaf. Die emotie gaf me een goed gevoel en veroorzaakte kleine chemische reacties en golven in mijn hersenen. Dat is wetenschappelijk tegenwoordig zelfs meetbaar en zichtbaar te maken. Die emotie gebeurt echt.

Op het moment dat ik je de prachtige, witte bloem geef, voel ik me weer zo, prettig en stralend. Jij voelt dat helaas niet. Jij ziet alleen een enkele witte bloem en je had eigenlijk liever een grote bos rode rozen gehad. Jij voelt niet hetzelfde als ik. Je bent teleurgesteld en kijkt nauwelijks naar de bloem en ook niet naar mij. Ook die emotie gebeurt echt. Ik voel me nog stralen en jij voelt teleurstelling door dezelfde witte bloem.

We ervaren allebei een andere emotionele werkelijkheid die echt gebeurt op hetzelfde moment. Er zijn twee echte, maar verschillende ervaringen naar aanleiding van dezelfde witte bloem. De eigen emotioneel gekleurde werkelijkheid is gewoon een objectief met meetinstrumenten aantoonbare en voelbare gebeurtenis van chemische reacties in het lichaam.


Inleven in andermans werkelijkheid

Even later vang ik je blik en ik zie je teleurstelling. Ik zou je kunnen vragen naar wat je voelt, en je zou me, als je durft, dan jouw ervaren werkelijkheid kunnen vertellen. Die ervaring is geen verbeelding, je hebt het net zelf gevoeld. En misschien zou ik hetzelfde kunnen gaan voelen, als je me vertelt waarom je een bos rode rozen had verwacht in plaats van een enkele witte bloem. Dan hebben we even een gemeenschappelijke waarheid.

Zo kun je ook het verschil in beleving begrijpen tussen een kind dat geslagen werd en zijn vader die het kind terecht wees. Misschien kunnen we dat verschil nog achterhalen als het kind en vader met elkaar spreken en uitwisselen wat ze hebben ervaren. De vader kan vertellen waarom hij het kind sloeg, bijvoorbeeld met een goede bedoeling om het kind te begrenzen en normen te leren, of met minder goede bedoelingen, bijvoorbeeld omdat zijn vader het zelf ook deed, of omdat hij te dronken was en zich niet kon beheersen.

Er is zeker een verschil tussen een pak slaag van een dronken vader of van een dominant, begrenzende vader. Een kind zal dat onderscheid echter vaak niet kunnen maken. Het kind kan wel van zijn kant vertellen hoe hij het ervaren heeft en bij hem is binnengekomen, bijvoorbeeld als een terechte correctie, een bedreiging, een afwijzing of vernedering.

Als een kind eerlijk durfde te vertellen hoe hij zich voelde na een pak slaag en een vader zou ook eerlijk vertellen waarom hij het pak slaag heeft gegeven, dan kan er een wederzijds begrip ontstaan en een gezamenlijke waarheid. Er ontstaat een uitwisselen van ervaringen en een verdieping van contact in plaats van het eenrichtingsverkeer van ouder naar kind.

Blanchefleur Johnston Blanchefleur Johnston

 

Advertenties

60. Loslaten van illusies om trauma te genezen

Hoe kan therapie genezen 60.

Naast het ontwikkelen van gezonde delen (zie blog 58 en 59), is het volgens Ruppert (2012) noodzakelijk voor genezing dat iemand zijn eigen illusies gaat herkennen en wil opgeven. Dit proces kan veel tijd kosten. Een illusie kun je niet zomaar opgeven. Het wordt vaak juist uit alle macht gehandhaafd.

De realiteit verandert voortdurend, maar een gecreëerde werkelijkheid staat stil. Iemand die een deel van zichzelf heeft afgesplitst om bepaalde gevoelens niet meer te hoeven meemaken, heeft dat stukje van wereld stilgezet. Bovendien zal hij dat stukje ook stil en bevroren willen houden uit angst om de gevoelens die hij daarmee uit de weg gaat, alsnog te gaan ervaren. Iemand kan daarbij allerlei gedachten, gevoelens en herinneringen hebben ontwikkeld die fungeren als een schild tegen wat er zich in werkelijkheid heeft afgespeeld.

Alleen als iemand kan gaan zien en erkennen dat hij door een afsplitsing bepaalde gevoelens buiten de deur houdt en daarom heen een verhaal of schijnwerkelijkheid gemaakt heeft om die afsplitsing in stand te houden, kan er een ingang ontstaan naar gezondere vormen van voelen, denken en ervaren en kan de illusie worden losgelaten.

Ik moet hier denken aan Karen Horney (1991) en het loslaten van het ideale zelfbeeld (zie blog 7 en 8). Een cliënt heeft vaak zijn eigen ideale waarden ontwikkeld die tot nu toe helder, duidelijk, juist en veilig voelden. Het is angstig om onder de ogen te zien dat datgene wat iemand als veilig ervaart juist een belemmering kan zijn voor groei. Illusies, bluf, trots, make-belief en onkwetsbaarheid moeten plaatsmaken voor het aangaan van de werkelijkheid en allerlei moeilijke gevoelens die je vaak liever niet wilt ervaren, zoals gevoelens van eenzaamheid, schaamte, verlies, verdriet of vernedering.

Hoeveel tijd het kost om illusies en trauma’s achter je te laten en hoe vaak je dit moet doen, is moeilijk in te schatten. Bij sommige cliënten gaat het snel, binnen enkele dagen, bij anderen duurt het weken, maanden, soms ook jaren, afhankelijk van het soort trauma en hoe toegankelijk het trauma of de traumatische periode is. Vooral het losmaken van het gezin van herkomst kan soms bijzonder lang duren.

Enorme moed nodig om zich los te maken

Franz Ruppert (2012) heeft vaak in zijn praktijk gezien dat het moeilijk is voor kinderen om zich los te maken van een familie die hun kwaad heeft aangedaan. Ze hebben het vroegere systeem van het gezin verregaand verinnerlijkt. Ze hebben veel strategieën aangeleerd om in een dergelijk familie te overleven. Ze spelen het spel mee en zwijgen erover naar de buitenwereld uit angst om verstoten te worden, voor sociale afwijzing of angst voor moord of zelfmoord van een van de familieleden.

Dit kunnen allemaal reële angsten zijn, want de ouders zijn daadwerkelijk onberekenbaar door hun eigen verleden en traumatisering. Ook doodsangst kan soms dermate groot zijn dat vermijdingsstrategieën zoals dissociatie en afsplitsing van psychische functies bijzonder diep zijn ingeslepen. Dit proces om te gaan zien hoe het eigen gedrag zo sterk beïnvloed werd door interacties in het gezin vergt een enorme moed.

Pas wanneer een cliënte besluit niet meer eenzijdig te investeren in de relatie met de dader, en hem of haar niet meer beschermt, kan het glashelder worden wat ze haar leven te verduren heeft gehad en waaraan ze heeft meegedaan.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Ruppert, F. (2012). Bevrijding van trauma, angst en onmacht. Op weg naar gezonde autonomie en liefde. Eeserveen: Uitgeverij Akasha.
Horney, K. D (1991). Neurosis and human growth, The struggle towards self realisation. New York: Norton and Company

27. Beck: cognitieve therapie

Hoe kan therapie genezen 27.

Cognitieve therapie zie ik als een heel verstandige en bewonderenswaardige vorm van therapie die goed kan werken bij cliënten met lichte tot matige psychische klachten. Graag vertel ik je over de ervaringen van vader en dochter Beck, die aan de wieg stonden van deze therapie. Wat zijn hun ideeën over hoe cognitieve therapie cliënten kan helpen genezen?

Aaron Beck (1990), geboren in 1921 en een Amerikaanse psychiater, wordt gezien als de vader van de cognitieve therapie. Hij begon zijn praktijk als psychoanalyticus en deed veel onderzoek naar de resultaten ervan bij zijn cliënten. Net als veel van zijn psychoanalytische voorgangers vond Beck het productiever om de kern van de problemen bij cliënten te identificeren en te veranderen dan alleen de symptomen ervan aan te pakken.

Hij ontdekte echter dat de psychoanalytische therapie die hij beoefende vaak niet goed en zelfs averechts kon werken. Hij merkte ook dat de gedachtewereld van de cliënt cruciaal bleek bij het verergeren van sommige problemen. Veel van zijn cliënten hadden irreële, negatieve gedachten over zichzelf die hun psychische toestand sterk beïnvloedde.

Dat was op zich niet nieuw. Veel psychoanalytici constateerden dat de denkwereld van de cliënt een enorme invloed had op de klachten en symptomen. Denk maar aan Karen Horney (blog 6, 7 en 8) die de oorzaak van veel klachten legt bij de wens om aan een ideaal beeld te willen voldoen. Of denk aan Melanie Klein (blog 17 en 18) die de fantasie van het kind, en de zeer persoonlijke, gekleurde waarneming een enorme rol toekent bij het ontstaan van symptomen en traumatische ervaringen.

Beck verschilde echter van mening over de toegankelijkheid van de kernproblemen. Hij ging er vanuit dat deze kernproblemen niet onbewust en weinig toegankelijk zijn zoals de psychoanalyse veronderstelt, maar dat ze gewoon op een bewust niveau te benaderen zijn. De disfunctionele gedachten bleek je direct te kunnen beïnvloeden en te veranderen tot meer reële functionele gedachten.

Met de juiste training konden volgens Beck de disfunctionele, automatische kerngedachten steeds toegankelijker en meer benaderbaar worden. Met enkele collega’s heeft hij daarvoor vervolgens een gedegen methode ontwikkeld. Zijn dochter Judith Beck heeft dit nog verder uitgewerkt. Zij beschreef de principes van de cognitieve therapie heel helder in haar boek Cognitieve Therapy, Basics and Beyond (1995). Ik zal enkele van die principes toelichten.

Welke gedachte ging er net door je heen?
De cruciale vraag in cognitieve therapie is: ‘welke gedachte ging er net door je heen?’ Misschien vraag je je na mijn vorige tamelijke complexe verhaal over de psychoanalytische therapie wel af hoe deze vrij eenvoudige vraag zou kunnen helpen bij het verminderen van psychische klachten. Zelf heb ik veel ervaring in de cognitieve therapie en sta nog altijd versteld van de mogelijkheden om met je gedachten je gevoel en je gedrag te leren veranderen.

Beck (1995) veronderstelt dat een cliënt allerlei automatische gedachten en overtuigingen heeft die samenhangen met de psychische problemen. Een therapeut moet er zo goed mogelijk achter zien te komen hoe deze automatische gedachten en overtuigingen van de cliënt er uit zien en hoe ze bijdragen aan de huidige psychische problemen.

De meest efficiënte en effectieve therapie bestaat uit het zo accuraat mogelijk inschatten van de gedachtewereld van de cliënt, zijn aannames, verwachtingen, beelden, regels, en houding ten opzichte van anderen die de klachten in stand houden.

Vervolgens werken de therapeut en cliënt samen om deze gedachten en overtuigingen te veranderen. Een empathische houding is daarbij erg van belang. Het gaat niet om cliënten hun overtuigingen uit hun hoofd te praten, maar de cliënt in zijn gedachtewereld zo goed mogelijk te begrijpen en samen tot concrete doelen van de therapie te komen die haalbaar zijn voor de cliënt en de therapeut. Zo ziet cognitieve therapie er heel in het kort uit.

Ik wil je er niet te veel over vertellen, maar toch nog net iets meer om je eigen oordeel over deze therapie te vormen. Dat gaat over de wezenlijk verandering door cognitieve therapie.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Beck, A.T., Freeman A. and associates (1990). Cognitive Therapy of Personality Disorders. New York: The Guillford Press.
Beck, J.S. (1995). Cognitive Therapy, Basics and Beyond. New York: The Guillford Press.

 

25. Elke therapeut zijn eigen doel

Hoe kan therapie genezen 25.

Zoals Gabbard zegt (zie vorige blog), weten we nog te weinig vaak wat de mechanismen zijn waardoor klachten verdwijnen. Toch kunnen therapeuten bijzonder veel voor cliënten betekenen en genezen er regelmatig cliënten. Daarom ga ik graag verder met zijn ideeën daarover.

Volgens Gabbard (2010) heeft het werkingsmechanisme in de therapie vaak te maken met de doelstelling of het doel die de therapeut in zijn opleiding geleerd of ontwikkeld heeft. Ofwel, de doelstelling in een therapie hangt vaak sterk samen met het theoretische kader dat er onder ligt. Hij noemt een aantal mogelijke doelen waarin ik soms de gedachten van bekende therapeuten terugzag.

Een doel van therapie kan zijn om de aard van onbewuste conflicten te onderzoeken om daarmee de zichtbare symptomen te verhelpen. De symptomen of klachten worden daarbij gezien als uitingen of verplaatsingen van onbewuste behoeften of wensen. Deze therapeutische stroming werd vooral gebaseerd op Freuds ideeën (zie blog 9, 10 en 11) en wordt ook wel Egopsychologie genoemd.

Een ander doel van het therapeutisch proces is om je ware zelf te ontdekken, het gevoel jezelf te mogen zijn en authentiek. Dat komt me bekend voor, het doet me erg aan Karen Horney denken (zie blog 6, 7 en 8).

De psychoanalytische therapie op basis van de Zelfpsychologie van Kohut (blog 3 en 4) heeft als doel om op een volwassen en gepaste wijze gebruikt te kunnen maken van betekenisvolle anderen. Het gaat om een verbeterd vermogen om voedende relaties aan te gaan.

Therapeuten met een relationele oriëntatie hebben als belangrijkste doel om zicht te geven op relaties met anderen. Ze laten cliënten zien dat ze de neiging hebben om eigenschappen en ideeën van zichzelf ook toeschrijven aan anderen, en dat dit relaties nadelig beïnvloedt. Door de therapie vindt er een transformatie plaats waardoor een cliënt meer in de werkelijke wereld en minder in een fantasiewereld leert leven.

Therapeuten die veel werken met trauma’s en verwaarlozing in de jeugd gaan uit van een tekort in het vermogen om eigen en andermans gevoelens, gedachten en gedragingen in te schatten en te onderscheiden. Dit vermogen wordt ook wel mentaliseren genoemd. Ze hebben bijvoorbeeld als doel om dit vermogen om een plaatje te maken van de innerlijke wereld van anderen alsnog aan te leren of te verbeteren.

Daarbij moest ik weer even denken aan mijn zorgen bij het opvoeden. Als je er bij stilstaat, is me dat nogal een taak: om kinderen te leren om de innerlijke wereld van andere kinderen goed te leren in schatten. Hopelijk gaat dat toch voor een groot deel automatisch en vanzelf, anders sta ik niet in voor mijn opvoedkundige kwaliteiten.

Gabbard schets nog veel meer therapeutische doelen, maar hier laat ik het even bij. Het is zo al wel duidelijk dat de inbreng, achtergrond en motieven van de therapeut niet over het hoofd gezien kunnen worden bij de werking van therapie. Gabbard waarschuwt daarnaast voor de onbewuste inbreng van de therapeut.

Onbewuste motieven van de therapeut
Gabbard (2010) geeft heel mooi aan dat we nooit helemaal zeker kunnen zijn wat onze motieven zijn of wat we van plan zijn, bij geen enkel psychotherapeutisch proces. Therapeuten kunnen bijvoorbeeld vrij makkelijk en onbewust een specifieke relatie ontwikkelen met cliënten om aan het eind van een werkdag een goed gevoel te hebben.

Dit betekent dat een therapeut voortdurend alert moet zijn op alle mogelijke moeilijkheden, gevaren, valkuilen en onbewust motieven van zowel de cliënt als de therapeut zelf. Met behulp van psychoanalytische technieken als interpretatie, vrije associatie, duiding van overdracht, tegen overdracht, en ook diverse technieken uit andere stromingen zoals suggestie, cognitieve herstructurering, exposure, bevestiging, zelfonthulling en cliënt gerichte methoden laveert hij tussen de gevaren door.
Uiteindelijk kan de cliënt dan leren hoe hij een volwassen en betrokken relatie met de therapeut ontwikkelt, en leren om dit ook buiten de therapie met anderen te durven aangaan.

Gabbard sluit zich aan bij de opvattingen van Winnicott en Malan (zie blog 13, de therapeut mogen afwijzen) dat het uiteindelijk erg belangrijk is dat, wat er ook gebeurt, de therapeut blijft volhouden. Vanwege het basale gebrek aan vertrouwen dat er vaak bestaat, zal de cliënt tijdens de therapie de therapeut vernietigen. De therapeut zal die aanvallen van de cliënt moeten zien te overleven. Uiteindelijk kan de cliënt het vertrouwen krijgen dat hij niet zal worden afgewezen, gezond gehecht kan raken en echt gebruik gaan maken van de therapeut.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Gabbard, G. (2010). Psychodynamische therapie in de praktijk. Amsterdam: Hogrefe.

7. Innerlijke conflicten door een ideaalbeeld

Hoe kan therapie genezen 7

De overgang van kind naar volwassene, de puberteit, kun je bij uitstek de tijd noemen om allerlei verschillende soorten gevoelens te ontdekken en emotioneel te groeien. Allerlei emoties, spanningen, onzekerheden en groeipijnen horen daarbij. Volgens de Amerikaanse psychiater en psychoanalytica Karen Horney (1991, vorige blog) ontstaan spanningen of innerlijke conflicten vooral als je eisen aan jezelf stelt die passen in het ideaalbeeld, maar die niet horen bij het ware zelfbeeld. 

In de puberteit of later kan een gevecht ontstaan tussen het ware zelf, datgene wat je echt kan en bent, en het ideale zelf, dat wat je in je verbeelding kunt of wilt zijn. Dit levert intern behoorlijke conflicten op, die je kunt voelen in de vorm van ontevredenheid, verzet, angstaanvallen, somberheid, moeheid, of uitputting.

Als je een ideaal zelfbeeld nastreeft, voel je je de ene keer geweldig als het af en toe inderdaad lukt om aan je idealen te voldoen. Het andere moment voel je volledig tekortschieten op moment dat je er niet aan kan voldoen. Zo krijg je een wisselend, instabiel gevoel afhankelijk van de normen die je hebt gesteld. Ook kunnen mensen op allerlei manieren gaan proberen dit ideaal beeld in stand te houden, waarbij veel middelen geoorloofd zijn, van lief zijn, iets voor een ander doen, vleien, beïnvloeden, tot jokken, bedriegen, liegen, bedreigen en manipuleren.

Naast het ideale beeld van jezelf heb je ook een eigen oorspronkelijk, echt zelf. Dit ware zelfbeeld heeft weinig last van spanningen of conflicten. Daarbij streef je geen normen na, maar ontwikkel jezelf op basis van wensen en verlangens die in jezelf zitten. Je ontwikkelt je op basis van de spontane gevoelens die in je opkomen in plaats van aan de hand van wensen en normen van anderen. Je leert weer luisteren naar signalen van jezelf die zijn ondergesneeuwd door de opgelegde normen en wensen van anderen. Dit ware, echte, zelf is de basis van persoonlijke groei. Daar ligt ook de kern van therapie volgens Horney.

Ontwikkeling van eigen identiteit door therapie
Horney gaat er vanuit dat therapie een proces is dat zich in zijn eigen tempo ontwikkelt met een volledig eigen logica waarin steeds meer delen van de persoonlijkheid tot rijping komen.

Ze waarschuwt voor te optimistische, makkelijke en snelle genezing van klachten. Een snelle verbetering van symptomen betekent meestal niet erg veel. De symptomen zijn eigenlijk signalen van onderliggende problematiek die zo ie zo niet te genezen is. Volgens Horney kunnen we de verkeerde koers die de ontwikkeling van een persoon heeft genomen ook niet genezen. We kunnen iemand alleen assisteren om hem geleidelijk over zijn eigen moeilijkheden heen te laten groeien, zodat hij meer en meer een prettigere, minder veeleisende, constructieve ontwikkeling kan gaan volgen.

De doelen in therapie zijn gericht op het vinden van zichzelf, en de mogelijkheid om het ware zelf te ontwikkelen. Het aangaan van bevredigende menselijke relaties is daar een belangrijk deel van, maar ook voldoening kunnen ervaren in werk en het aangaan van verantwoordelijkheden.

Wat daarvoor nodig is, is in het kort dat iemand alle behoeften, wensen en doelen die zijn groei belemmeren, te boven kan komen of kan overwinnen. Iemand kan zich pas echt gaan ontwikkelen als die kan zien dat deze behoeften en gewenste doelen eigenlijk illusies zijn. Je zult je valse trots en hoop moeten gaan opgeven om je eigen echte mogelijkheden te bevrijden.

Je zou kunnen zeggen dat de sleutel van verandering ligt in de veranderde waarneming van het kind van zijn omgeving. Iemand kan zichzelf pas ontwikkelen als hij zich ontdaan heeft van een fantasievolle, maar irreële en te ideale kijk op de werkelijkheid. Geloof mij maar dat wat Horney beschrijft een moeilijk proces is, waarin je met pijn en moeite afstand moet doen van een fantasiewereld, waarin je je in de kindertijd zo veilig hebt gevoeld.

Blanchefleur Johnston     Blanchefleur Johnston


Literatuur
Horney, K. D (1991). Neurosis and human growth, The struggle towards self realisation.

6. Genezing door emotionele groei

Hoe kan therapie genezen 6

Een therapie die me erg aanspreekt als het gaat om genezing, is de genezing door emotionele groei van Karen Horney (1991). Karen Horney was een bekende Amerikaanse psychoanalyticus. Ze werd geboren in 1885 in Duitsland. Ze studeerde medicijnen en verdiepte zich in de psychoanalyse van Freud. Ze was echter ook kritisch over de ideeën van Freud, vooral als het ging om zijn ideeën over aangeboren verschillen tussen mannen en vrouwen. 

Ze heeft een paar prachtige boeken geschreven. Ik zou er uren over kunnen praten, zo knap en boeiend heeft ze het onder woorden gebracht. Haar bouwwerk van ideeën heeft mij veel inzicht gegeven in hoe therapie kan werken. Elke therapeut waarover ik vertel, heeft natuurlijk een mooie visie of theoretisch bouwwerk ontwikkeld over hoe we mensen met psychische klachten zo goed mogelijk kunnen helpen.

Het helpt mij wel om elk van die bouwwerken als het ware voor me te zien en dan te kijken hoe ze naast of in elkaar kunnen passen. Ik zou de hemel vol willen schilderen met deze kastelen zodat jij ook kan zien hoe al die prachtige therapieën bij elkaar kunnen passen. Daar droom ik van, dat al die therapieën als een gaaf geheel uiteindelijk bij elkaar passen, en dat er maar een enkele sleutel nodig is om de deuren te openen.

Laat ik eerst maar eens de ideeën van Horney proberen op een heldere manier aan je vertellen. In haar boek Neurosis en Human Growth (1991) legt ze uit wat het uiteindelijke doel van een therapie is. Het heeft te maken met emotionele groei door te luisteren naar eigen spontane wensen en gevoelens in plaats van naar bedachte wensen en normen. Je gaat als het ware terug naar je zelf, naar je oorsprong wat bij jou past. Dit lukt volgens haar pas als je langzamerhand je ideale zelf kan loslaten en terugkeert bij je echte, spontane zelf. Ze noemt het zelfrealisatie. Hoe ze dat voor zich ziet, kom ik nu op.

Liever het ware zelf dan het ideale zelf
Het uitgangspunt van Horney (1991) is dat je eigen reële, persoonlijke zelfbeeld in de knel komt doordat je een ideaal zelfbeeld wilt ontwikkelen. Door steeds beter en perfecter te willen worden, raak je jezelf steeds meer kwijt. Er is een subtiel maar belangrijk onderscheid tussen enerzijds jezelf verbeteren om echt jezelf te kunnen zijn en anderzijds jezelf verbeteren om te voldoen aan een ideaal van jezelf.

In het eerste, reële geval probeer je om zo goed mogelijk met de omstandigheden om te gaan door te accepteren dat je bepaalde dingen wel kunt en andere dingen niet, gegeven jouw persoonlijkheid. In het tweede geval, probeer je zo goed mogelijk en zelfs perfect te worden in de ogen van anderen en de ideale norm die er bestaat.

Er ontstaat een soort strijd tussen datgene wat je graag zou willen zijn, en degene die je eigenlijk bent. Je cijfert als het ware jezelf weg om te voldoen aan het ideaal dat je in je hoofd hebt voorgesteld. Hierdoor ontstaat er een grote spanning tussen je echte wensen en behoeften, en de bedachte wensen en behoeften.

Verbeelding en fantasie als oplossing
Misschien vraag je je af waarom we dan eigenlijk zo’n ideaal creëren. Dat verklaart Karen Horney ongeveer zo. Volgens haar heeft iedereen een unieke eigen identiteit, het ware zelf. Dit zal zich vanzelf ontwikkelen als het de ruimte krijgt. Het gebeurt echter nogal eens dat je als kind in de klem komt, en te weinig vrijheid krijgt om jezelf op een natuurlijke manier te ontwikkelen. Kinderen kunnen dat gaan oplossen door hun fantasie en verbeelding te gebruiken.

In hun verbeelding kunnen ze veel meer dan in het echt. In hun verbeelding zijn ze prinses of held, of de ridder die alles kan en elke moeilijkheid of onrecht overwint. Ze vormen zich in hun hoofd een ideaal van wat ze in het echt niet kunnen. Dat geeft niets, dat is een normale ontwikkeling. Deze verbeelding en fantasie kunnen echter ook in het volwassen leven een grote rol blijven spelen. Veel kinderen ontwikkelen ongemerkt in plaats van hun ware zelf, een ideaal beeld van zichzelf dat stand houdt tot ver in de volwassenheid en soms een heel leven blijft bestaan.

Proberen een ideaal of perfect leven te leiden in onze tamelijke onvolmaakte wereld leidt onherroepelijk tot frustraties, conflicten en problemen met jezelf en anderen. Bovendien strookt dat ideale beeld van jezelf of die fantasie die je hebt gecreëerd vaak niet met je eigen persoonlijke karakter. Daardoor ontstaan er ook innerlijke spanningen tussen gevoelens door de persoon die je graag wilt zijn en je eigen echte gevoelens. De therapie van Horney richt zich daarom op het alsnog leren ontdekken van je ware zelf en het volbrengen van de emotionele groei van het kind naar de volwassenheid.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Horney, K. D (1991). Neurosis and human growth, The struggle towards self realisation.