75. Echte en verbeelde waarheid

Hoe kan therapie genezen 75.

Nu wil ik mijn naam eer aandoen als Candida Albicans Blanchefleur, en zo meteen een mooie Witte Bloem aan je geven. Eerst wil ik je aandacht vragen voor een probleem over de waarheid en impact van traumatische ervaringen. Voor mij is het belangrijk om dit probleem zo goed mogelijk te verhelderen, ook al kan ik misschien niet helemaal de juiste woorden vinden om het over te brengen.

Al eerder kwam er een verschil van mening naar voren tussen twee verschillende groepen therapeuten. Aan de ene kant zijn er therapeuten die geloven dat je eigen interpretatie, emotionele inkleuring, idealisering en fantasie van de werkelijkheid een belangrijke oorzaak is van trauma’s en psychische klachten. Ik denk bijvoorbeeld aan Karen Horney (blog 6), Melanie Klein (blog 17) en de cognitieve therapeuten als Beck (blog 27), of aan de wetenschapper Merckelbach (blog 55) en de neuroloog Babinski (Blog 56).

Aan de andere kant heb je therapeuten die geloven dat de trauma’s echt en reëel zijn. Ze geloven dat echt gebeurde akelige ervaringen in je jeugd zoals verwaarlozing, buitensluiting en misbruik oorzaak zijn van deze trauma’s. Ze kunnen diepe, emotionele, onbewuste sporen nalaten, die soms als waarheid boven tafel komen. Ik noem dan Kohut (blog 3), Freud (blog 9), Bowlby (blog 19), Shapiro (blog 51) en Ruppert (blog 57) .

Ik denk eigenlijk dat ze allebei gelijk hebben. Een trauma kan ontstaan door een juiste interpretatie, maar ook door een verkeerde interpretatie van de werkelijkheid. Een trauma kan zelfs ontstaan door suggestie of verbeelding. De oorzaak van het trauma maakt echter niet uit voor de ervaring. De ervaring van een trauma is niet minder erg of minder waar.

Je kunt je iets verbeelden bijvoorbeeld dat je broer of zus de pik op je heeft en niet van je houdt, en daardoor een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren. Je beleeft dat echt, ook als de afwijzing zelf door verbeelding of een verkeerde interpretatie is ontstaan.

Een kind kan het bijvoorbeeld als traumatisch hebben ervaren dat ze naar een internaat gestuurd is omdat ze geloofde dat ze een lastig en onwelkom kind was. In werkelijkheid hield de moeder misschien weldegelijk van het kind, maar was ze niet sterk genoeg om voor haar te zorgen. Daarmee is de ervaring van het kind die het wegsturen naar het internaat als afwijzing of buitensluiting ervaren heeft, echter niet minder ernstig.

Een pijnlijk gevoel is geen verbeelding

Voor de ervaring maakt het niet uit of iets een werkelijke of vermeende afwijzing is geweest. Ik wil daarom graag voorstellen dat we er van uitgaan dat de emotionele gebeurtenis waarover een cliënt vertelt, waar gebeurd is. De al dan niet gekleurde waarneming van die gebeurtenis wordt namelijk door die persoon echt op dat moment waargenomen en vooral gevoeld.

We kunnen die eigen emotionele werkelijkheid van de cliënt voor waar aannemen. Hij heeft het echt ervaren en het is echt gebeurd. Een kind kan de slagen van zijn vader die bedoeld werden als opvoedend of begrenzend als vernederend of kleinerend hebben beleefd. Een kind waarvan de ouders regelmatig suggereren dat het dom is of lelijk, zal dat geloven en een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren.

We kunnen de beleving van de cliënt als waarheid aannemen en zijn pijnlijkste gevoelens door afwijzing van vader of moeder, of er niet bij te horen, ontvangen en laten spreken. Bovendien laten de gevolgen van gebeurtenissen, die als traumatisch zijn ervaren, bewust dan wel onbewust allerlei aantoonbare sporen na in de hersenen. Die sporen kunnen pas veranderen nadat ze erkend worden als waar ervaren, en serieus genomen zijn.

Een beleefde gebeurtenis is een werkelijke gebeurtenis

Hoe bedoel ik dat, de eigen emotionele werkelijkheid voor waar aannemen? Hoe precies kan de eigen emotionele werkelijkheid waar zijn? Eigenlijk kan dat vrij eenvoudig. De werkelijkheid wordt voortdurend gekleurd door onze emoties vaak zonder dat we het in de gaten hebben. We denken dat we iets neutraal waarnemen, maar dat is meestal juist niet het geval.

Denk bijvoorbeeld eens aan een prachtige Witte bloem die ik jou cadeau geef. Ik heb hem speciaal voor jou gekocht. Ik heb de mooiste, witte bloem die ik kon vinden in de bloemenwinkel voor je uitgezocht. Ik dacht of verbeeldde me dat jij de bloem heel mooi zou vinden. Ik voelde me daarbij heel prettig en dacht er aan hoe jouw gezicht zou stralen als ik je de bloem gaf. Die emotie gaf me een goed gevoel en veroorzaakte kleine chemische reacties en golven in mijn hersenen. Dat is wetenschappelijk tegenwoordig zelfs meetbaar en zichtbaar te maken. Die emotie gebeurt echt.

Op het moment dat ik je de prachtige, witte bloem geef, voel ik me weer zo, prettig en stralend. Jij voelt dat helaas niet. Jij ziet alleen een enkele witte bloem en je had eigenlijk liever een grote bos rode rozen gehad. Jij voelt niet hetzelfde als ik. Je bent teleurgesteld en kijkt nauwelijks naar de bloem en ook niet naar mij. Ook die emotie gebeurt echt. Ik voel me nog stralen en jij voelt teleurstelling door dezelfde witte bloem.

We ervaren allebei een andere emotionele werkelijkheid die echt gebeurt op hetzelfde moment. Er zijn twee echte, maar verschillende ervaringen naar aanleiding van dezelfde witte bloem. De eigen emotioneel gekleurde werkelijkheid is gewoon een objectief met meetinstrumenten aantoonbare en voelbare gebeurtenis van chemische reacties in het lichaam.


Inleven in andermans werkelijkheid

Even later vang ik je blik en ik zie je teleurstelling. Ik zou je kunnen vragen naar wat je voelt, en je zou me, als je durft, dan jouw ervaren werkelijkheid kunnen vertellen. Die ervaring is geen verbeelding, je hebt het net zelf gevoeld. En misschien zou ik hetzelfde kunnen gaan voelen, als je me vertelt waarom je een bos rode rozen had verwacht in plaats van een enkele witte bloem. Dan hebben we even een gemeenschappelijke waarheid.

Zo kun je ook het verschil in beleving begrijpen tussen een kind dat geslagen werd en zijn vader die het kind terecht wees. Misschien kunnen we dat verschil nog achterhalen als het kind en vader met elkaar spreken en uitwisselen wat ze hebben ervaren. De vader kan vertellen waarom hij het kind sloeg, bijvoorbeeld met een goede bedoeling om het kind te begrenzen en normen te leren, of met minder goede bedoelingen, bijvoorbeeld omdat zijn vader het zelf ook deed, of omdat hij te dronken was en zich niet kon beheersen.

Er is zeker een verschil tussen een pak slaag van een dronken vader of van een dominant, begrenzende vader. Een kind zal dat onderscheid echter vaak niet kunnen maken. Het kind kan wel van zijn kant vertellen hoe hij het ervaren heeft en bij hem is binnengekomen, bijvoorbeeld als een terechte correctie, een bedreiging, een afwijzing of vernedering.

Als een kind eerlijk durfde te vertellen hoe hij zich voelde na een pak slaag en een vader zou ook eerlijk vertellen waarom hij het pak slaag heeft gegeven, dan kan er een wederzijds begrip ontstaan en een gezamenlijke waarheid. Er ontstaat een uitwisselen van ervaringen en een verdieping van contact in plaats van het eenrichtingsverkeer van ouder naar kind.

Blanchefleur Johnston Blanchefleur Johnston

 

Advertenties

63. Deskundig dresseren van een cliënt

Hoe kan therapie genezen 63.

Ik ben weinig therapeuten tegengekomen zoals Ruppert (2012) en Malan (1983) die gevoel hebben voor de onnoembare ervaring van onveiligheid die veel kwetsbare cliënten liever verborgen houden.

Ik wil je hier daarom graag waarschuwen dat deze onveiligheid en bijbehorende overlevingsmechanismen heel makkelijk over het hoofd gezien worden. De vraag dringt zich bij me op of therapeuten, mezelf inbegrepen, niet regelmatig per ongeluk bezig zijn om cliënten die gevoelig zijn een kunstje aan te leren. In de therapie draait het er soms op uit dat de cliënt geen hulp krijgt, maar vooral leert om de normen, ideeën en waarde van de therapeut over te nemen.

Een goede therapie is misschien die therapie waarbij een therapeut doorheeft dat zijn eigen opvatting en theorieën mogelijk slechts als een placebo zullen werken en dat daarbij niet alleen de cliënt maar ook de therapeut behaagd wordt. Het pakket aan wensen en eisen waaraan een cliënt bij veel therapieën moet voldoen om beter te worden, kan zelfs haaks staan op de ontwikkeling en emotionele groei tot zelfstandigheid van een cliënt.

De symptomen verdwijnen door de overtuigingskracht van de gebruikte theorieën en interventies, maar keren in een ander vorm weer terug, omdat de cliënt niet geleerd heeft ze zelf aan te gaan en op zijn eigen manier te verwerken of op te lossen.

Natuurlijk kunnen we een cliënt een heleboel soorten gedrag aanleren en afleren. We kunnen een cliënten sociale vaardigheden aanleren en zorgen dat ze zich netter gedragen en beter functioneren in de maatschappij. We kunnen ze leren relativeren en zelfs leren geloven dat ze niet meer bang hoeven te zijn voor de dood (zie blog 36, de dood is niet eng, K. Byron, 2002).

Uiteindelijk zullen cliënten die zich in hun jeugd onvoldoende hebben kunnen ontwikkelen tot emotioneel stabiele personen een veilige proeftuin nodig hebben. In die proeftuin kunnen ze alsnog al die dingen uitproberen die ze als kind hebben overgeslagen, zoals het niet hoeven voldoen aan de verwachtingen, tekort mogen schieten, aandacht opvragen, en ook boos worden, de strijd aangaan en daarbij de grenzen leren accepteren die een volwassen, betrokken ander daaraan stelt.

Weerstand als signaal van een overlevingsmechanisme

Over overlevingsmechanismen wil ik nog wat kwijt. Ik zie een verband tussen verdedigingsmechanismen, bescherming en overlevingsmechanismen. Eerder had ik het over Kohut (1984) die de bekende verdedigingsmechanismen van Freud (1965) omgedoopt had tot beschermingsmechanismen. De weerstanden en verdedigingen die Freud benoemd had, waren volgens hem geen weerstanden, maar waardevolle acties om jezelf te beschermen tegen het opdringerige of grensoverschrijdend gedrag van anderen en van therapeuten (zie blog 12).

Kohut zag weerstand tegen de therapeut dan ook niet als een noodzakelijk deel van het therapieproces, maar eerder als een signaal dat de therapeut te weinig rekening houdt met de cliënt, en zich te weinig inleeft in de positie van de cliënt.

We zouden de verdediging- en beschermingsmechanismen in de lijn van Ruppert (2012) echter ook kunnen benoemen als overlevingsmechanismen. Allerlei rationalisaties, verklaringen, afweer en weerstand kunnen we dan zien als overlevingsreacties in een onveilige omgeving. Die overlevingsreacties bestaan uit een afsplitsing van het gevoel waardoor je angst, pijn, verdriet of afwijzing niet hoeft te voelen.

Dit afsplitsen zorgt er ook voor dat je op dat moment geen contact voelt met jezelf of met anderen. Het is in die zin geen gezond verdedigings – of beschermingsmechanisme maar een vorm van dissociatie om pijnlijke gevoelens niet te hoeven aangaan.

Dit biedt een ander perspectief op hoe een therapeut met allerlei rationalisaties en weerstand om kan gaan. Weerstand is dan inderdaad zoals Kohut zegt een signaal van de cliënt dat de therapeut te weinig rekening houdt met de leefwereld van de cliënt.

Bovendien zou het dan een signaal zijn dat iemand zich nog niet veilig genoeg voelt om emoties die hij altijd buiten de deur heeft gehouden, te laten zien. De cliënt heeft die gevoelens moeten afsplitsen om op een bepaald moment alleen verder te kunnen en door te gaan met zijn leven. Het gaat dan vaak om gevoelens die iemand liever verborgen houdt zoals een overweldigend gevoel van verlies, verdriet of afwijzing. Het kan soms lang duren voordat die gevoelens in therapie uiteindelijk aan de orde kunnen komen.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Byron, K. (2002). Vier vragen die je leven veranderen. Utrecht: Spectrum.
Freud, S. (1965/1910). The Origin en Development of Psychoanalysis. Washington: Gateway Editions.
Kohut, H. (1984). How does analysis cure? Chicago: Chicago Press.
Malan, D.H. (1983). Individuele psychotherapie. Houten: Bohn, Stafleu, van Loghum.
Ruppert, F. (2012). Bevrijding van trauma, angst en onmacht. Op weg naar gezonde autonomie en liefde. Eeserveen: Uitgeverij Akasha.

56. Slaap als remedie tegen trauma

Hoe kan therapie genezen 56

De eenvoudige oplossing van Merckelbach (2010) voor trauma’s is te zorgen voor genoeg slaap. Ik vind het de moeite waard om uit te leggen waarom hij dat denkt. Ook aparte antwoorden op de vraag hoe therapie kan genezen kunnen bijdragen aan een beter begrip.

Zoals ik vertelde (zie vorige blog) zijn vroegere trauma’s volgens Merckelbach een gevolg van het makkelijk kunnen dissociëren. Het ontstaan van dissociatie en de bijkomende psychische klachten ligt volgens hem echter niet aan een belastende of verwaarlozende omgeving. Hij verklaart het fenomeen dat sommige kinderen angstig reageren op een strenge of verwaarlozende manier van opvoeden en gaan dissociëren op een heel andere manier.

Hij stelt namelijk dat dissociatieve symptomen het bijkomende product zijn van een instabiele slaap-waakcylcus. Dissociatie heeft volgens hem niets te maken met een problematische opvoeding of trauma, maar met een gebrek aan slaap. Vanuit deze visie kan een normale opvoeding als traumatisch zijn overgekomen bij kinderen die gevoelig zijn, onvoldoende slaap krijgen en daardoor makkelijk dissociëren. Dissociatie kan worden uitgelokt door slaaptekort. En het gaat vanzelf over als iemand maar weer voldoende slaap krijgt.

Het geeft een hele eenvoudige therapie voor traumaverwerking, namelijk genoeg rust en slaap. De beste therapie is dan volgens hem ook: genoeg slaap krijgen. Dat sommige mensen slecht kunnen slapen en dat sommige cliënten veel slaap nodig hebben om tot rust te komen, kun je dan toeschrijven aan genetische verschillen in gevoeligheid. Je zou kunnen zeggen dat hij daarmee eigenlijk stelt dat veel psychische klachten het gevolg zijn van individuele, aangeboren verschillen in gevoeligheid.

Daarin staat hij overigens niet alleen. Ook andere wetenschappers menen dat psychische klachten het gevolg kunnen zijn van een individuele gevoeligheid voor hypnose of suggestie en dat ze ook weer door suggestie kunnen verdwijnen. Zelfs psychische klachten zoals wanen en persoonsproblemen zouden volgens sommigen het gevolg zijn van extreme gevoeligheid voor suggesties. De neuroloog Babinski, bekend van de Babinski–reflex, definieerde hysterie bijvoorbeeld na grondige studie uiteindelijk als ‘ieder symptoom dat door suggestie kan worden opgeroepen en door overtuigingskracht kan verdwijnen’ (Hulspas, 1999).

Ik vind het belangrijk dat alle kanten van de oorzaken van trauma’s bekeken worden. We weten dat er allerlei natuurlijke manieren zijn om op een goede manier met trauma’s om te gaan. Natuurlijk kunnen sommige nare ervaringen gewoon verdwijnen met behulp van rust, slaap, dromen of een toepasselijke slogan.

Therapie voor trauma overbodig?

Laten we niet meer therapie toepassen dan nodig is. Er zal zeker op allerlei spontane manieren en tijdens het slapen verwerking plaatsvinden van vervelende emotionele gebeurtenissen. Soms heeft verwerking ook alleen maar tijd nodig. Merckelbach (2010) heeft een punt als hij zegt dat lang niet alle nare gebeurtenissen van vroeger tot trauma’s hoeven leiden.

Jammer alleen dat Merckelbach meent dat genoeg slaap krijgen de beste therapie is voor de verwerking van trauma’s. Het lijkt alsof hij een standaardtherapie gevonden heeft voor alle trauma’s. Het lijkt ook alsof hij therapie voor traumaverwerking eigenlijk maar een beetje overbodig vindt. De kern van verwerking, namelijk het emotioneel beleven en kunnen loslaten van een gebeurtenis, gebeurt volgens hem blijkbaar gewoon vanzelf tijdens het slapen.

Volgens mij begaan dergelijke wetenschappers echter de vergissing dat nare emotionele ervaringen zich alleen tussen de oren in de hersenen zouden bevinden en dat je ze daar met suggesties ook kan aanpraten of oplossen. Ze zien over het hoofd dat veel emotionele ervaringen diep verankerd zijn in het lichaam en dat het vaak vermeden wordt om die diepere gevoelens te ervaren.

Angsten voor gebeurtenissen die nog niet zijn gebeurd, daarvan zou je misschien kunnen zeggen dat ze tussen je oren zitten. Dat kan te maken hebben met een te angstige voorstelling of fantasie van de toekomst. Het is immers nog niet gebeurd. Trauma’s die je al zijn overkomen, zitten naar mijn idee helemaal niet tussen je oren: het zijn  onafgemaakte, afgesplitste, lichamelijke ervaringen, die vaak moeilijk toegankelijk zijn en die je liever niet nog een keer wilt ervaren.

Voor mij is het een troost dat de ideeën van Merckelbach tamelijk haaks staan op opvattingen van therapeuten zoals Freud, Bowlby en Shapiro. Er wordt volgens hen niets aangepraat. Er wordt tijdens therapie een verborgen emotioneel probleem aangeraakt dat juist met behulp van allerlei rationalisaties en afleiding uit de weg wordt gegaan.

Oftewel, therapeuten kunnen raken aan overweldigende gevoelens die voor cliënten moeilijk te hanteren zijn. Dissociatie kan daarbij spontaan optreden om de emotionele verwarring onder controle te houden en te kunnen overleven in een onveilige omgeving.

Het lijkt mij trouwens niet meer dan logisch dat iemand die geleerd heeft snel te dissociëren, juist gevoelig is voor suggesties. Iemand kan immers door de afsplitsing van zijn gevoel niet goed meer voelen wat iets voor hemzelf betekent. Hij probeert dit gebrek aan betekenis vervolgens op te vullen met een verstandelijk begrip met behulp van allerlei verklaringen, theorieën, meningen en ook suggesties van anderen.

Met suggesties en zelfsuggestie kun je zelfs leren allerlei emoties en nare gevoelens nog beter uit de weg te gaan. De diepere emotionele lagen worden er niet door bereikt, maar eerder afgesplitst of gerationaliseerd.

Er komen bij mij ook een paar losse gedachten boven over wetenschappers. Een ongetemde gedachte is dat sommige wetenschappers de neiging hebben om een schil van objectiviteit om zich heen te bouwen en subjectieve emotionele ervaringen liever ontkennen, omdat ze het zelf moeilijk vinden om met emoties van anderen om te gaan.

Het doet me ook denken aan wetenschappers die opgaan in hun werk en bijvoorbeeld de fraaiste eigenschappen van neuronen en dendrieten kunnen vaststellen, maar het verdriet of angst van hun kind liever niet horen of zien. Daarom laat ik nu weer een psychotherapeut aan het woord die heel anders denkt over trauma.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Hulspas, M. (1999). Parasieten in het brein, hypnose, hysterie en hersenhelften. Skepter 12 (4).
Kloet, D. van der, en Merckelbach, H.I.J.G. (2010). Waar dissociatie vandaan komt – het schemergebied tussen waken en slapen, GZ-psychologie 7 (nov., 12 -21).

55. Trauma als gevolg van inbeelding of suggestie

Hoe kan therapie genezen 55.

Sommige wetenschappers menen dat veel trauma’s in de jeugd eerder het gevolg zijn van inbeelding of fantasie dan van werkelijke, traumatische gebeurtenissen. Ik heb er zelf tamelijk veel moeite mee om zo te denken. Ik zie voor me hoe er nog steeds gedragswetenschappers bezig zijn een geïsoleerd stukje brein te bestuderen. Dat zijn misschien dezelfde wetenschappers die denken dat emotionele problemen ergens tussen je oren zitten.

Toch wil ik het idee dat trauma’s het gevolg kunnen zijn van inbeelding of fantasie verder toelichten, omdat het een belangrijke gedachtegang vertegenwoordigt. Je komt het nog regelmatig tegen bij bepaalde wetenschappers en psychologen.

De wetenschapper Merckelbach heeft bijvoorbeeld sterk het idee dat trauma’s te maken hebben met een grote fantasie of inbeeldingsvermogen. Hij legt zijn idee over oorzaken van jeugdtrauma’s uit in het artikel ‘Waar dissociatie vandaan komt, het schemergebied tussen waken en slapen’ (Van der Kloet en Merckelbach, 2010).

Het komt er op neer dat een jeugdtrauma volgens hem vaak geen trauma is, maar een gevolg van suggesties door een therapeut bij mensen die daar gevoelig voor zijn. Hij gaat er daarbij vanuit dat er een verband is tussen gevoeligheid voor suggestie en het vermogen tot dissociëren. Voor ik zijn bijzondere redenatie weergeef, zal ik eerst kort uitleggen wat dissociëren is.

Dissociatie kun je zien als het afstand creëren naar of afsplitsen van je gevoel zodat je het op dat moment niet hoeft te voelen. Dit wordt gezien als een verdedigingsmechanisme of afweermechanisme tegen nare emotionele of fysieke gevoelens (Freud, 1965). Dissociatie komt in lichte vorm bij iedereen wel voor, maar vooral, en in veel grotere mate, bij cliënten met ernstige psychische klachten. Het komt ook veel voor bij traumatische gebeurtenissen.

Dissociatie en automatische processen

Merckelbach twijfelt er echter aan of dissociatie een verdedigingsmechanisme is. Hij veronderstelt dat dissociatie eigenlijk een vrij normaal proces is. Iedereen doet dit in meer of mindere mate. Veel processen zijn gedissocieerd of afgesplitst. Ze vinden automatisch plaatst en dat is maar goed ook. Lopen, schrijven, typen, fietsen, sporten, autorijden kunnen we het best als we er niet bij hoeven nadenken.

Sommige mensen kunnen volgens Merckelbach veel makkelijker dissociëren dan anderen mensen. Zij kunnen veel processen onbewust of automatisch laten verlopen. Ze kunnen zich makkelijk overgeven en automatisch doen wat er gezegd wordt zonder er bij na te denken. Dit zijn vaak mensen die ook gevoelig zijn voor hypnose en suggesties, en vaak fantasierijk kunnen vertellen over hun verleden. Bij cliënten met ernstige psychische klachten komt deze combinatie van dissociatie, gevoeligheid voor suggesties en een beeldende fantasie veel voor.

De redenatie is dan dat deze cliënten zo gevoelig zijn voor suggestie dat ze therapeuten bijna onvoorwaardelijk geloven. De suggestie van de therapeut dat iemand door de opvoeding zwaar beschadigd kan zijn, roept bij dit type cliënten soms heftige reacties op. Dit wordt dan door therapeut als bewijs gezien dat de cliënt als het kind inderdaad getraumatiseerd is geraakt.

Merckelbach zegt dat trauma’s op deze manier makkelijk kunnen worden aangepraat via therapie. Of te wel, hij gaat er vanuit dat veel jeugdtrauma’s vooral voortkomen uit een rijke fantasie, gevoeligheid en verbeelding van kinderen.

In andere woorden, een cliënt is niet vatbaar voor suggesties omdat hij kwetsbaar is vanwege eerdere trauma’s zoals andere therapeuten menen. De cliënt is vatbaar voor suggesties omdat hij van nature al gevoelig en fantasierijk is. De emotionele problemen en trauma’s ontstaan daarbij door een te grote verbeelding van wat er werkelijk gebeurd is.

Door de suggestibiliteit en gevoeligheid van de cliënt worden relatief gewone gebeurtenissen, zoals afwijzing door een dierbare of te weinig aandacht van ouders, tot trauma’s benoemd. Trauma’s kunnen volgens hem daarom juist worden aangepraat of gesuggereerd.

Ik vind het belangrijk dat iedereen voor zich de woorden en ideeën van anderen op waarde weet te schatten. Ik noem zijn ideeën ook omdat hij volgens mij wel iets belangrijks toevoegt aan het begrip van verwerking van emoties. Ik laat Merckelbach nog even verder aan het woord. Hij gaat namelijk nog een stap verder en komt met een eenvoudige, interessante oplossing voor trauma’s.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston

Literatuur
Freud, S. (1965/1910). The Origin en Development of Psychoanalysis. Washington: Gateway Editions.
Kloet, D. van der, en Merckelbach, H.I.J.G. (2010). Waar dissociatie vandaan komt –  het schemergebied tussen waken en slapen, GZ-psychologie 7 (nov., 12 -21).

53. Werkingsmechanisme van EMDR?

Hoe kan therapie genezen 53.

Uit veel verschillend onderzoek blijkt dat EMDR inderdaad een heel effectieve therapie is bij traumaverwerking. Naar het werkingsmechanisme van EMDR wordt volop onderzoek gedaan (Shapiro, 2004). Het werkingsmechanisme is echter nog niet precies bekend.

Onderzoekers vonden dat er door de afleidende oogbewegingen een beroep wordt gedaan op het werkgeheugen. Dit kan gunstig werken omdat de pijnlijkheid van het herbeleven van emoties, dat een belangrijk onderdeel is van de procedure, wordt afgezwakt. De herbeleving is daardoor mogelijk minder heftig dan bij meer directe vormen van traumaverwerking.

Er werd ook gevonden dat oogbewegingen de toegankelijkheid van herinneringen kunnen verbeteren en dat ze automatisch tot lichamelijke ontspanning leiden. Het toelaten van emoties en tegelijkertijd ontspannen kan de verwerking bevorderen. De procedure staat toe dat er op een spontane manier nieuwe inzichten, associaties en emoties opkomen, net als bij de vrije associatie-techniek van Freud. In plaats van de herinnering te bespreken en al pratend door te werken, vindt er volgens Shapiro (2004) daarbij een verwerking plaats op een dieper fysiologisch niveau.

Als je naar de volledige procedure van EMDR kijkt, valt er nog iets anders op. Een belangrijke stap in de procedure richt zich op het formuleren van positieve, functionele cognitieve gedachten die de oude disfunctionele gedachten gaan vervangen. Er is meer nodig dan alleen het herbeleven met behulp van oogbewegingen, namelijk een verandering van innerlijke houding ten opzichte van de gebeurtenis.

Bij EMDR lijkt er door het op een bepaalde manier aangaan van moeilijke of pijnlijke herinneringen een proces op gang te komen, waarna er een spontaan loslaten van angst of boosheid volgt, en er een natuurlijke ontspanning en een verbeterd contact tot stand komt.

Het lijkt erop dat bepaalde oogbewegingen deze positieve verandering bevorderen of vergemakkelijken. Het werkingsmechanisme of sleutelingrediënt van EMDR zou ik daarom beschrijven als de combinatie van oogbewegingen, spontane nieuwe associaties en een innerlijke verandering ten opzichte van de traumatische gebeurtenis.


Bevorderen van een bevrijdend proces

Het proces van loslaten en uiteindelijk kunnen ontspannen doet me denken aan de bevrijdende, gouden momenten van inzicht bij therapeuten als Heijligenberg (2010), Malan (1983) en Byron Katie (2002) waar ik het eerder over had (zie blog 37 over die bevrijdende, gouden momenten van inzicht).

Bevrijdende momenten zijn die momenten waarop cliënten zich iets realiseren over een trauma of gebeurtenis. Het gaat daarbij om een doorleefd inzicht en besef dat een ander die jou mogelijk heeft beschadigd door bepaalde dingen te doen of na te laten, niet de echte oorzaak is van de pijn.

De echte oorzaak van psychische pijn ligt niet bij de ander. Er heeft niemand schuld. De pijn blijft bestaan vanwege het onbewust herhalen van bepaald vermijdingsgedrag naar aanleiding van een traumatische periode. Het heeft te maken met het vermijden van moeilijke, akelige gevoelens die soms heel moeilijk zijn om aan te gaan of te verdragen.

Ik heb het over bijna niet te verdragen gevoelens van afgewezen, bedrogen, vernederd, beschaamd of in de steek gelaten zijn. Het is haast een natuurlijke reactie om die gevoelens in eerste instantie niet te toe te laten, en ze te vermijden omdat ze als te overweldigend worden ervaren.

Het lastigste probleem bij het vermijden van een trauma of pijnlijke herinneringen is echter dat dit heel vaak onbewust gebeurt, oftewel dat iemand er zelf geen weet van heeft. Dat is misschien ook de grootste uitdaging voor therapeuten: om manieren te verzinnen om te helpen om moeilijke dingen aan te gaan waarvan iemand vaak niet eens weet dat hij ze uit de weggaat.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur

Byron, K. (2002). Vier vragen die je leven veranderen. Utrecht: Spectrum.
Heijligenberg, P. (2010). Begrijp je pijn. Een nieuwe behandelmethode voor medisch niet-verklaarbare lichaamspijnen. Deventer: Uitgeverij Ankh-Hermes.
Malan, D.H. (1983). Individuele psychotherapie. Houten: Bohn, Stafleu, van Loghum.
Shapiro, F. and Forrest, M.S. (2004). EMDR, the breakthrough therapy for overcoming anxiety, stress, and trauma. New York: Basic Books.

51. Shapiro: EMDR en traumaverwerking

Hoe kan therapie genezen 51.

Nog niet zolang geleden ontstond er een nieuwe therapie om trauma’s sneller te verwerken: EMDR. Deze EMDR therapie werd ontwikkeld door Francine Shapiro, een Amerikaanse psychologe die werd geboren in 1948. EMDR staat voor Eye Movement Desensitization en Reprocessing Therapie (Shapiro and Forrest, 2004).

Shapiro vertelt dat haar belangstelling voor therapie in eerste instantie ontstond vanwege persoonlijke moeilijkheden. Ze zocht jarenlang naar een effectieve methode om zelf te leren omgaan met bepaalde angsten en angstige herinneringen. Ze probeerde elke methode uit om haar angsten te verminderen. Ze verbaasde zich bovendien dat deze methoden bij het grote publiek zo weinig bekend waren.

Vanuit deze grote belangstelling studeerde ze ook klinische psychologie. Zo verzamelde ze een enorme hoeveelheid kennis en ervaring over het omgaan met allerlei soorten angsten. Tot haar eigen verbazing eindigde ze er mee om zelf een methode te creëren, die ze EMDR noemde.

De aanzet tot haar methode ontdekte Shapiro bij zichzelf tijdens het maken van een wandeling. Ze merkte een bijzonder verschijnsel op, namelijk dat haar oogbewegingen een gunstig, stress verminderend effect hadden op haar nare gedachten van dat moment. Ze vond dit zo frappant dat ze bij zichzelf ging proberen hoe dit precies werkte. Daarna vroeg ze familie, vrienden en studenten om het ook uit te proberen.

Vervolgens verfijnde ze de procedure steeds verder met behulp van eigen en andermans ervaringen, en kennis uit de verschillende therapierichtingen zoals de psychoanalyse en cognitieve therapie. Ze ontdekte overeenkomsten tussen de psychoanalytische techniek die Freud (1910) gebruikte om pijnlijk herinneringen naar boven te brengen en de EMDR-procedure. Treffend vond ik haar uitspraak dat ze op een gegeven moment aan het kijken was naar vrije associatie in turbospeed.

Ze herkende de vrije associatie-techniek die Freud had ontwikkeld (zie blog 10, overwinnen van innerlijke weerstanden), maar dan in de hoogste versnelling: de veranderingen in gevoelens en gedachten bij haar proefpersonen gingen op een gegeven moment zo snel dat ze het als het ware voor haar ogen zag gebeuren.

Uiteindelijk na uitgebreid onderzoek bij diverse cliënten lanceerde ze EMDR als een therapie voor het genezen of verminderen van klachten door traumatische gebeurtenissen en andere nare levensgebeurtenissen.


Hoe werkt de EMDR-procedure
?

EMDR wordt het vaakst gebruikt naar aanleiding van een eenmalige traumatische gebeurtenis waarbij sprake is van herbelevingen of angstige beelden in de periode na het trauma.

De procedure komt er in het kort op neer dat de traumatische gebeurtenis eerst besproken wordt. Daarna wordt er aan je gevraagd om je de gebeurtenis opnieuw voor de geest te halen. Daarbij zal de therapeut nu de eigen hand op ongeveer 30 cm voor je ogen heen en weer bewegen. Heel modern is dat de bewegingen niet meer met de hand van de therapeut gedaan worden maar door een apparaatje met led lampjes die je met je ogen kan volgen.

Er volgt zo een set van ongeveer 25 oogbewegingen per keer. Na elke set wordt er even pauze genomen. Tijdens de set van oogbewegingen komen er meestal allerlei gedachten, beelden en gevoelens boven, en soms ook andere lichamelijk sensaties.

Er wordt gevraagd wat er nu, in het heden, de ergste herinnering is van wat er is gebeurd. Daarna volgt een nieuwe set. Na elke set wordt gevraagd wat er veranderd is. Bij de volgende set richt je je op de meest opvallende verandering.

Door dit herhaald herinneren van de gebeurtenis verliest de herinnering vaak zijn lading. De herinnering verandert, de beelden verliezen aan kracht en worden vaak kleiner en waziger. Vaak komen er ook spontane gedachtes, emoties en associaties met andere gebeurtenissen boven.

Ik denk dat deze methode een betere en diepere verwerking in gang kan zetten dan bijvoorbeeld NLP (zie vorige blog). Hoe die diepere verwerking tot stand komt, kom ik later op terug. Eerst laat ik Shapiro nog even aan het woord over het succes van EMDR bij verschillende psychische klachten.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Freud, S. (1965/1910). The Origin en Development of Psychoanalysis.                 Washington: Gateway Editions.
Shapiro, F. and Forrest, M.S. (2004). EMDR, the breakthrough therapy for overcoming anxiety, stress, and trauma. New York: Basic Books.

44. Emotionele groei door cliëntgerichte therapie

Hoe kan therapie genezen 44.

Carl Rogers (1902-1987) staat bekend om zijn cliëntgerichte therapie. Het wordt ook wel Rogeriaanse therapie of client centered therapie genoemd. Ik maakte al lang geleden kennis met zijn therapie tijdens mijn studie psychologie. Het kwam me over als een warme, empathische en gevoelsrijke therapiemethode.

Tegelijkertijd vond ik het moeilijker dan de praktische en concrete therapieën zoals cognitieve therapie en gedragstherapie. Ik had er ook op de een of andere manier moeite mee, maar ik begreep toen niet goed waarom. Nu kijk ik daar anders tegen aan.

In het boek van Ryckman (1985), Theories of Personality, wordt de therapie van Rogers kort en helder uiteengezet. Volgens Rogers begint en eindigt therapie met de subjectieve ervaringen van de cliënt. De innerlijke werkelijkheid, en niet de externe, objectieve werkelijkheid speelt de sleutelrol in het bepalen van iemands gedrag. Dat vind ik wel bijzonder omdat het zo’n heel ander uitgangspunt is dan bij de cognitieve therapie of gedragstherapie.

Psychotherapie kan je volgens Rogers zien als het proces ‘to become person’. Als therapeut kun je helpen door het aanvaarden van de volledige innerlijke wereld van de cliënt, die eigenlijk heel goed weet wat er met hem aan de hand is. Ofwel je kunt iemand helpen om een emotioneel volwassen en echt eigen persoon te worden.

De cliënt centered therapeut heeft geen vaste theoretische richting, en legt niets op. De therapeut biedt een veilige relatie met een onvoorwaardelijke, positieve acceptatie van de cliënt. Door voortdurend en empathisch stil te staan bij reacties die cliënten ervaren, kunnen ze tot inzichten komen, eigen verborgen emoties ontdekken en de eigen gezonde kern opnieuw tot uitdrukking leren brengen.

De therapeut geeft als ware de juiste, meest geschikte omstandigheden voor de persoonlijke groei van de cliënt. Je kunt je voorstellen dat deze therapie vaak tamelijk lang kan duren.

Innerlijke krachtbron voor emotionele groei

Rogers gaat er daarbij vanuit dat er een natuurlijke, innerlijke motivatie en krachtbron bestaat die er voor zorgt dat we onszelf kunnen handhaven en verder kunnen ontwikkelen tot waardevolle, rijpe volwassen personen. Hij veronderstelde daarbij dat de mensen van nature goed zijn, maar geblokkeerd kunnen zijn in hun ontwikkeling, waardoor ze misstappen begaan en verkeerde keuzes maken.

Nu weet ik ook waarom ik me vroeger niet zo thuis voelde bij deze stroming. Ik vond het moeilijk te rijmen met mijn ervaringen dat mensen niet alleen positieve, innerlijke krachten hebben, maar wel degelijk ook negatieve, destructieve, innerlijke krachten. Mijn interesse in Freud en de psychoanalyse werd juist gevoed door mijn ervaringen met de immens gevaarlijke, destructieve krachten die emoties kunnen hebben.

De ideeën van Rogers gingen me een stapje te ver de andere kant op. Ik heb dan ook lange tijd te weinig oog gehad voor deze therapie. Straks zal ik je wat vertellen over Miller (2004) en zijn zienswijze dat de cliënt de held is van zijn eigen leven. Door Miller heeft de cliëntgerichte therapie veel meer mijn waardering gekregen.

Eerst ga ik echter verder met enkele andere veelbelovende therapieën die psychische klachten kunnen genezen of verminderen. Een therapie die momenteel veel belangstelling krijgt, is gebaseerd op acceptatie en betrokkenheid, de Acceptance en Commitment Therapie, of ACT van Hayes en Smith (2006). Die therapie vraagt je om je moeilijkheden en pijn te accepteren en aan te gaan. Ik vertel je graag hoe zij voor zich zien hoe je dat kan doen.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Ryckman, R.M. (1985). Theories of Personality. Belmont: Wadsworth.
Duncan, B.L., Miller, S.D., and Sparks, J.A. (2004). The heroic client. San Francisco: Jossey-Bass.
Hayes, S.C. en Smith, S. (2006). Uit je hoofd in je leven. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.