75. Echte en verbeelde waarheid

Hoe kan therapie genezen 75.

Nu wil ik mijn naam eer aandoen als Candida Albicans Blanchefleur, en zo meteen een mooie Witte Bloem aan je geven. Eerst wil ik je aandacht vragen voor een probleem over de waarheid en impact van traumatische ervaringen. Voor mij is het belangrijk om dit probleem zo goed mogelijk te verhelderen, ook al kan ik misschien niet helemaal de juiste woorden vinden om het over te brengen.

Al eerder kwam er een verschil van mening naar voren tussen twee verschillende groepen therapeuten. Aan de ene kant zijn er therapeuten die geloven dat je eigen interpretatie, emotionele inkleuring, idealisering en fantasie van de werkelijkheid een belangrijke oorzaak is van trauma’s en psychische klachten. Ik denk bijvoorbeeld aan Karen Horney (blog 6), Melanie Klein (blog 17) en de cognitieve therapeuten als Beck (blog 27), of aan de wetenschapper Merckelbach (blog 55) en de neuroloog Babinski (Blog 56).

Aan de andere kant heb je therapeuten die geloven dat de trauma’s echt en reëel zijn. Ze geloven dat echt gebeurde akelige ervaringen in je jeugd zoals verwaarlozing, buitensluiting en misbruik oorzaak zijn van deze trauma’s. Ze kunnen diepe, emotionele, onbewuste sporen nalaten, die soms als waarheid boven tafel komen. Ik noem dan Kohut (blog 3), Freud (blog 9), Bowlby (blog 19), Shapiro (blog 51) en Ruppert (blog 57) .

Ik denk eigenlijk dat ze allebei gelijk hebben. Een trauma kan ontstaan door een juiste interpretatie, maar ook door een verkeerde interpretatie van de werkelijkheid. Een trauma kan zelfs ontstaan door suggestie of verbeelding. De oorzaak van het trauma maakt echter niet uit voor de ervaring. De ervaring van een trauma is niet minder erg of minder waar.

Je kunt je iets verbeelden bijvoorbeeld dat je broer of zus de pik op je heeft en niet van je houdt, en daardoor een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren. Je beleeft dat echt, ook als de afwijzing zelf door verbeelding of een verkeerde interpretatie is ontstaan.

Een kind kan het bijvoorbeeld als traumatisch hebben ervaren dat ze naar een internaat gestuurd is omdat ze geloofde dat ze een lastig en onwelkom kind was. In werkelijkheid hield de moeder misschien weldegelijk van het kind, maar was ze niet sterk genoeg om voor haar te zorgen. Daarmee is de ervaring van het kind die het wegsturen naar het internaat als afwijzing of buitensluiting ervaren heeft, echter niet minder ernstig.

Een pijnlijk gevoel is geen verbeelding

Voor de ervaring maakt het niet uit of iets een werkelijke of vermeende afwijzing is geweest. Ik wil daarom graag voorstellen dat we er van uitgaan dat de emotionele gebeurtenis waarover een cliënt vertelt, waar gebeurd is. De al dan niet gekleurde waarneming van die gebeurtenis wordt namelijk door die persoon echt op dat moment waargenomen en vooral gevoeld.

We kunnen die eigen emotionele werkelijkheid van de cliënt voor waar aannemen. Hij heeft het echt ervaren en het is echt gebeurd. Een kind kan de slagen van zijn vader die bedoeld werden als opvoedend of begrenzend als vernederend of kleinerend hebben beleefd. Een kind waarvan de ouders regelmatig suggereren dat het dom is of lelijk, zal dat geloven en een pijnlijk gevoel van afwijzing ervaren.

We kunnen de beleving van de cliënt als waarheid aannemen en zijn pijnlijkste gevoelens door afwijzing van vader of moeder, of er niet bij te horen, ontvangen en laten spreken. Bovendien laten de gevolgen van gebeurtenissen, die als traumatisch zijn ervaren, bewust dan wel onbewust allerlei aantoonbare sporen na in de hersenen. Die sporen kunnen pas veranderen nadat ze erkend worden als waar ervaren, en serieus genomen zijn.

Een beleefde gebeurtenis is een werkelijke gebeurtenis

Hoe bedoel ik dat, de eigen emotionele werkelijkheid voor waar aannemen? Hoe precies kan de eigen emotionele werkelijkheid waar zijn? Eigenlijk kan dat vrij eenvoudig. De werkelijkheid wordt voortdurend gekleurd door onze emoties vaak zonder dat we het in de gaten hebben. We denken dat we iets neutraal waarnemen, maar dat is meestal juist niet het geval.

Denk bijvoorbeeld eens aan een prachtige Witte bloem die ik jou cadeau geef. Ik heb hem speciaal voor jou gekocht. Ik heb de mooiste, witte bloem die ik kon vinden in de bloemenwinkel voor je uitgezocht. Ik dacht of verbeeldde me dat jij de bloem heel mooi zou vinden. Ik voelde me daarbij heel prettig en dacht er aan hoe jouw gezicht zou stralen als ik je de bloem gaf. Die emotie gaf me een goed gevoel en veroorzaakte kleine chemische reacties en golven in mijn hersenen. Dat is wetenschappelijk tegenwoordig zelfs meetbaar en zichtbaar te maken. Die emotie gebeurt echt.

Op het moment dat ik je de prachtige, witte bloem geef, voel ik me weer zo, prettig en stralend. Jij voelt dat helaas niet. Jij ziet alleen een enkele witte bloem en je had eigenlijk liever een grote bos rode rozen gehad. Jij voelt niet hetzelfde als ik. Je bent teleurgesteld en kijkt nauwelijks naar de bloem en ook niet naar mij. Ook die emotie gebeurt echt. Ik voel me nog stralen en jij voelt teleurstelling door dezelfde witte bloem.

We ervaren allebei een andere emotionele werkelijkheid die echt gebeurt op hetzelfde moment. Er zijn twee echte, maar verschillende ervaringen naar aanleiding van dezelfde witte bloem. De eigen emotioneel gekleurde werkelijkheid is gewoon een objectief met meetinstrumenten aantoonbare en voelbare gebeurtenis van chemische reacties in het lichaam.


Inleven in andermans werkelijkheid

Even later vang ik je blik en ik zie je teleurstelling. Ik zou je kunnen vragen naar wat je voelt, en je zou me, als je durft, dan jouw ervaren werkelijkheid kunnen vertellen. Die ervaring is geen verbeelding, je hebt het net zelf gevoeld. En misschien zou ik hetzelfde kunnen gaan voelen, als je me vertelt waarom je een bos rode rozen had verwacht in plaats van een enkele witte bloem. Dan hebben we even een gemeenschappelijke waarheid.

Zo kun je ook het verschil in beleving begrijpen tussen een kind dat geslagen werd en zijn vader die het kind terecht wees. Misschien kunnen we dat verschil nog achterhalen als het kind en vader met elkaar spreken en uitwisselen wat ze hebben ervaren. De vader kan vertellen waarom hij het kind sloeg, bijvoorbeeld met een goede bedoeling om het kind te begrenzen en normen te leren, of met minder goede bedoelingen, bijvoorbeeld omdat zijn vader het zelf ook deed, of omdat hij te dronken was en zich niet kon beheersen.

Er is zeker een verschil tussen een pak slaag van een dronken vader of van een dominant, begrenzende vader. Een kind zal dat onderscheid echter vaak niet kunnen maken. Het kind kan wel van zijn kant vertellen hoe hij het ervaren heeft en bij hem is binnengekomen, bijvoorbeeld als een terechte correctie, een bedreiging, een afwijzing of vernedering.

Als een kind eerlijk durfde te vertellen hoe hij zich voelde na een pak slaag en een vader zou ook eerlijk vertellen waarom hij het pak slaag heeft gegeven, dan kan er een wederzijds begrip ontstaan en een gezamenlijke waarheid. Er ontstaat een uitwisselen van ervaringen en een verdieping van contact in plaats van het eenrichtingsverkeer van ouder naar kind.

Blanchefleur Johnston Blanchefleur Johnston

 

Advertenties

56. Slaap als remedie tegen trauma

Hoe kan therapie genezen 56

De eenvoudige oplossing van Merckelbach (2010) voor trauma’s is te zorgen voor genoeg slaap. Ik vind het de moeite waard om uit te leggen waarom hij dat denkt. Ook aparte antwoorden op de vraag hoe therapie kan genezen kunnen bijdragen aan een beter begrip.

Zoals ik vertelde (zie vorige blog) zijn vroegere trauma’s volgens Merckelbach een gevolg van het makkelijk kunnen dissociëren. Het ontstaan van dissociatie en de bijkomende psychische klachten ligt volgens hem echter niet aan een belastende of verwaarlozende omgeving. Hij verklaart het fenomeen dat sommige kinderen angstig reageren op een strenge of verwaarlozende manier van opvoeden en gaan dissociëren op een heel andere manier.

Hij stelt namelijk dat dissociatieve symptomen het bijkomende product zijn van een instabiele slaap-waakcylcus. Dissociatie heeft volgens hem niets te maken met een problematische opvoeding of trauma, maar met een gebrek aan slaap. Vanuit deze visie kan een normale opvoeding als traumatisch zijn overgekomen bij kinderen die gevoelig zijn, onvoldoende slaap krijgen en daardoor makkelijk dissociëren. Dissociatie kan worden uitgelokt door slaaptekort. En het gaat vanzelf over als iemand maar weer voldoende slaap krijgt.

Het geeft een hele eenvoudige therapie voor traumaverwerking, namelijk genoeg rust en slaap. De beste therapie is dan volgens hem ook: genoeg slaap krijgen. Dat sommige mensen slecht kunnen slapen en dat sommige cliënten veel slaap nodig hebben om tot rust te komen, kun je dan toeschrijven aan genetische verschillen in gevoeligheid. Je zou kunnen zeggen dat hij daarmee eigenlijk stelt dat veel psychische klachten het gevolg zijn van individuele, aangeboren verschillen in gevoeligheid.

Daarin staat hij overigens niet alleen. Ook andere wetenschappers menen dat psychische klachten het gevolg kunnen zijn van een individuele gevoeligheid voor hypnose of suggestie en dat ze ook weer door suggestie kunnen verdwijnen. Zelfs psychische klachten zoals wanen en persoonsproblemen zouden volgens sommigen het gevolg zijn van extreme gevoeligheid voor suggesties. De neuroloog Babinski, bekend van de Babinski–reflex, definieerde hysterie bijvoorbeeld na grondige studie uiteindelijk als ‘ieder symptoom dat door suggestie kan worden opgeroepen en door overtuigingskracht kan verdwijnen’ (Hulspas, 1999).

Ik vind het belangrijk dat alle kanten van de oorzaken van trauma’s bekeken worden. We weten dat er allerlei natuurlijke manieren zijn om op een goede manier met trauma’s om te gaan. Natuurlijk kunnen sommige nare ervaringen gewoon verdwijnen met behulp van rust, slaap, dromen of een toepasselijke slogan.

Therapie voor trauma overbodig?

Laten we niet meer therapie toepassen dan nodig is. Er zal zeker op allerlei spontane manieren en tijdens het slapen verwerking plaatsvinden van vervelende emotionele gebeurtenissen. Soms heeft verwerking ook alleen maar tijd nodig. Merckelbach (2010) heeft een punt als hij zegt dat lang niet alle nare gebeurtenissen van vroeger tot trauma’s hoeven leiden.

Jammer alleen dat Merckelbach meent dat genoeg slaap krijgen de beste therapie is voor de verwerking van trauma’s. Het lijkt alsof hij een standaardtherapie gevonden heeft voor alle trauma’s. Het lijkt ook alsof hij therapie voor traumaverwerking eigenlijk maar een beetje overbodig vindt. De kern van verwerking, namelijk het emotioneel beleven en kunnen loslaten van een gebeurtenis, gebeurt volgens hem blijkbaar gewoon vanzelf tijdens het slapen.

Volgens mij begaan dergelijke wetenschappers echter de vergissing dat nare emotionele ervaringen zich alleen tussen de oren in de hersenen zouden bevinden en dat je ze daar met suggesties ook kan aanpraten of oplossen. Ze zien over het hoofd dat veel emotionele ervaringen diep verankerd zijn in het lichaam en dat het vaak vermeden wordt om die diepere gevoelens te ervaren.

Angsten voor gebeurtenissen die nog niet zijn gebeurd, daarvan zou je misschien kunnen zeggen dat ze tussen je oren zitten. Dat kan te maken hebben met een te angstige voorstelling of fantasie van de toekomst. Het is immers nog niet gebeurd. Trauma’s die je al zijn overkomen, zitten naar mijn idee helemaal niet tussen je oren: het zijn  onafgemaakte, afgesplitste, lichamelijke ervaringen, die vaak moeilijk toegankelijk zijn en die je liever niet nog een keer wilt ervaren.

Voor mij is het een troost dat de ideeën van Merckelbach tamelijk haaks staan op opvattingen van therapeuten zoals Freud, Bowlby en Shapiro. Er wordt volgens hen niets aangepraat. Er wordt tijdens therapie een verborgen emotioneel probleem aangeraakt dat juist met behulp van allerlei rationalisaties en afleiding uit de weg wordt gegaan.

Oftewel, therapeuten kunnen raken aan overweldigende gevoelens die voor cliënten moeilijk te hanteren zijn. Dissociatie kan daarbij spontaan optreden om de emotionele verwarring onder controle te houden en te kunnen overleven in een onveilige omgeving.

Het lijkt mij trouwens niet meer dan logisch dat iemand die geleerd heeft snel te dissociëren, juist gevoelig is voor suggesties. Iemand kan immers door de afsplitsing van zijn gevoel niet goed meer voelen wat iets voor hemzelf betekent. Hij probeert dit gebrek aan betekenis vervolgens op te vullen met een verstandelijk begrip met behulp van allerlei verklaringen, theorieën, meningen en ook suggesties van anderen.

Met suggesties en zelfsuggestie kun je zelfs leren allerlei emoties en nare gevoelens nog beter uit de weg te gaan. De diepere emotionele lagen worden er niet door bereikt, maar eerder afgesplitst of gerationaliseerd.

Er komen bij mij ook een paar losse gedachten boven over wetenschappers. Een ongetemde gedachte is dat sommige wetenschappers de neiging hebben om een schil van objectiviteit om zich heen te bouwen en subjectieve emotionele ervaringen liever ontkennen, omdat ze het zelf moeilijk vinden om met emoties van anderen om te gaan.

Het doet me ook denken aan wetenschappers die opgaan in hun werk en bijvoorbeeld de fraaiste eigenschappen van neuronen en dendrieten kunnen vaststellen, maar het verdriet of angst van hun kind liever niet horen of zien. Daarom laat ik nu weer een psychotherapeut aan het woord die heel anders denkt over trauma.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Hulspas, M. (1999). Parasieten in het brein, hypnose, hysterie en hersenhelften. Skepter 12 (4).
Kloet, D. van der, en Merckelbach, H.I.J.G. (2010). Waar dissociatie vandaan komt – het schemergebied tussen waken en slapen, GZ-psychologie 7 (nov., 12 -21).

43. Emotionele ontvankelijkheid als sleutel voor verbondenheid

Hoe kan therapie genezen 43.

De zoektocht van Sue Johnson (2012) naar succesvolle relatietherapie leverde haar uiteindelijk een diepgaand inzicht op. Ze keek steeds opnieuw naar de opnames van relatiegesprekken om de transformaties te begrijpen die ze daar zag gebeuren. Tenslotte vond ze het antwoord op haar vraag waarom er een positieve verandering tussen partners kon optreden.

Toen ze nogmaals keek naar de dramatische momenten die relaties hadden getransformeerd, zag ze een grote gelijkenis met de hechtingstheorie van Bowlby (1980, zie blog 19). Ze concludeerde dat het succes van een relatie stond of viel met de mogelijkheid tot veilige emotionele verbinding, de basis voor beminnen en bemind worden. Deze emotionele ontvankelijkheid ziet ze als de sleutel voor verbondenheid. Hierop baseerde Johnson (2012) haar Emotionally Focused Therapie, ook wel EFT genoemd.

De meeste verwijten in de ruzies begon ze te zien als een wanhopige roep om hechting, een protest tegen verlies van verbondenheid. Zo’n protest kan alleen worden weggenomen als de geliefde dichterbij komt en de ander vasthoud en geruststelt. Niets anders helpt. En als dat herstel van verbondenheid niet tot stand komt, gaat de strijd door. Een van de sleutelingrediënten van herstel van de relatie is deze speciale vorm van emotionele ontvankelijkheid gebaseerd op de hechtingtheorie.

Ze begreep dat alle conflicten, heftige emotie en drama’s die ze tijdens de sessies meemaakte, draaiden om hechtingsbanden. Daarmee had ze ook een plattegrond gevonden voor de liefde en kon ze nu systematisch de stappen van de reis plannen naar een speciale vorm van liefdevolle verbondenheid. Met de methode die ze ontwikkelde kunnen volgens Sue Johnson niet alleen relatietrauma’s geheeld worden, maar kunnen ook andere soorten trauma’s of monsters uit onze jeugd geheeld of verjaagd worden.


Hoelang duurt Emotionally Focused Therapie?

Op basis van haar ontdekkingen ontwikkelde Sue Johnson een vastomlijnde therapie. Het bestaat uit zeven gesprekken die een speciale vorm van emotionele ontvankelijkheid willen bevorderen. Die emotionele ontvankelijkheid noemt ze de sleutel tot duurzame liefde. Centraal daarin staat het leren durven uiten van je kwetsbare behoeften naar je partner.

Er moet dan wel heel hard gewerkt worden. Elk gesprek heeft zijn eigen thema. Het vijfde gesprek heeft bijvoorbeeld het thema ‘Kwetsuren vergeven’. Hierin worden de zes stappen naar vergevingsgezindheid besproken. Het zesde gesprek heeft als thema ‘De band versterken via seks en aanraking’. Daarin wordt onder andere uitgelegd wat de verschillen zijn tussen geïsoleerde seks, troostseks en synchrone seks. De belofte wordt gedaan dat veilige relaties de springplank zijn naar de meest opwindende en avontuurlijke erotische ontmoetingen.

Ik vind het bijzonder knap hoe zij ingewikkelde thema’s zo helder, compact en aanstekelijk heeft verwoord. Er komt wel een stemmetje in me op dat zegt dat de hechtingtheorie van Bowlby een hele mooie, maar niet de enige route is naar het verbeteren van een relatie. Soms kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een te veel aan hechting of aanhankelijkheid. Dan gaat het in een relatie meer om ‘Laat me los’ dan ‘Houd me vast’.

De methode komt me soms ook wel wat optimistisch of idealistisch over vanwege de grote beloften die erin worden gedaan. Na dit uitstapje over de ideeën van Johnson, ga ik terug naar een meer bescheiden therapeut, die empathie als allerbelangrijkste ingrediënt van zijn therapie zag, Carl Rogers.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Johnson, S. (2012). Houd me vast. Zeven gesprekken voor een hechtere en veilige relatie. Utrecht: Kosmos.

42. Sue Johnson: Houd me vast

Hoe kan therapie genezen 42.

Ik benadruk graag hoe belangrijk een voedend contact met andere mensen kan zijn voor de psychische gezondheid. Hulp, steun en intimiteit kunnen dienen als bron van energie en ontspanning. Het is als zuurstof van het psychische leven zoals Kohut (1984) het noemde. Zoals we zuurstof nodig hebben om te ademen, hebben we ook anderen nodig die ons kunnen voeden en energie geven (blog 4).

Toch zijn er niet zoveel therapeuten die dit ook direct als uitgangspunt van hun therapie kiezen. Kohut en Bowlby (1980, blog 19) deden dit wel. Zij maakten duidelijk wat goede relaties en hechting met andere mensen kunnen betekenen. Dat is ook een reden waarom ik nu graag wat vertel over Sue Johnson (2012) en haar relatietherapie. Zij ontwikkelde de methode ‘Houd me vast’. Dit is een methode waarin de rol van empathie, liefde en hechting heel helder naar voren komt.

Met het uitstapje dat ik nu maak, ga ik overigens niet in op de relatietherapie zelf en hoe dat in zijn werk gaat. Het gaat mij steeds om de schat aan ervaring van therapeuten en hun ontdekkingen hoe ze cliënten hebben kunnen helpen. Sue Johnson past daarom heel goed in dit rijtje. Ze heeft heel knap uiteengezet hoe haar therapie kan helpen genezen.

Wat maakt een relatietherapie succesvol?

Sue Johnson vertelt dat ze er lang over gedaan heeft om te begrijpen hoe ze stellen kon helpen om weer tot elkaar te komen. Vanuit haar werk als psychotherapeut had ze al ervaren dat het luisteren naar en het ingaan op sleutelemoties essentieel waren voor verandering in individuele therapie. Toch kwam ze daarmee niet veel verder in relatietherapie. Ze merkte dat ze er op de een of andere manier naast zat.

Ze keek urenlang gefascineerd naar op de band vastgelegde sessies en besloot te blijven kijken totdat ze de dramatische gestrande liefdes die ze daar zag echt zou begrijpen. Uiteindelijk zag ze een duidelijk plaatje. Ze zag relaties waarin de ene partner de aanvallende, verwijtende partij bleek en de andere partij zich steeds meer terugtrok.

Er viel haar iets op aan de partners die zich meer op zichzelf hadden teruggetrokken. Als deze partners in staat waren om hun angst voor verlies en isolement op te biechten, konden ze ook gaan praten over hun verlangen naar genegenheid en verbondenheid. Die openbaring bewoog dan de verwijtende partners om met meer tederheid te reageren, en om hun eigen behoeften en angsten met de ander te delen. Plotseling leek het alsof beide partners naakt, maar sterk van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar stonden.

Ze beschrijft dit als wonderbaarlijke en dramatische momenten. Ze veranderden alles en vormden het begin van een nieuwe positieve spiraal van liefde en verbondenheid. Paren vertelden haar dat dergelijke momenten hun leven veranderd hadden.

Toch gaf dat haar nog niet het gevoel dat ze het helemaal begreep. Ze wilde nog verder kijken en het nog beter begrijpen. Ze zag toen iets waardoor alles op zijn plek viel, en ze de sleutel kreeg tot succesvolle relatietherapie. Daar zal ik nog wat meer over vertellen.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1. London: Pimlico.
Johnson, S. (2012). Houd me vast. Zeven gesprekken voor een hechtere en veilige  relatie. Utrecht: Kosmos.
Kohut, H. (1984) How does analysis cure? Chicago: Chicago Press.

24. Extra risico op traumatische ervaringen bij gevoelige kinderen

Hoe kan therapie genezen 24.

Het verschil van opvatting over het ontstaan van trauma’s tussen therapeuten zoals Bowlby en Klein vind ik intrigerend. Wie zou er gelijk hebben? Therapeuten die menen dat negatieve ervaringen of trauma’s vooral ontstaan in de gekleurde waarneming van het kind zoals Melanie Klein (1975), of therapeuten die menen dat negatieve ervaringen of trauma’s echt en werkelijk gebeurd zijn zoals Bowlby (1980)?

Ik denk dat het allebei het geval kan zijn. Het kan zowel komen door echte afwijzing, daadwerkelijk verstoten of verwaarloosd worden, als door afwijzing die niet zo bedoeld is, maar wel zo overgekomen of geïnterpreteerd werd. Gevoelige, kwetsbare kinderen lopen daarbij extra veel risico omdat zij relatief gewone, nare gebeurtenissen al als traumatisch kunnen ervaren. En grote negatieve gebeurtenissen als extreem traumatisch kunnen ervaren. Ook zijn er wat dat betreft sterke kinderen die relatief weinig last hebben van duidelijk negatieve gebeurtenissen en meer gevoelige kinderen die snel gekwetst of geraakt zijn.

Daar laat ik het nu even bij. Straks kom ik nog wel terug op het verschil tussen echte en verbeelde trauma’s. Nu ga ik eerst weer terug naar de interne wereld van de cliënt. Uiteindelijk kan ik namelijk als therapeut de omgeving en de ouders vaak niet direct bij de individuele behandeling betrekken. Het effect van hun gedrag zal ik bovendien weer tegenkomen in de manier waarop de cliënt denkt en handelt, en de manier waarop problemen of klachten tot uiting komen. Een individuele behandeling richt zich toch vooral op de binnenwereld van de cliënt.

De hechtingtheorie zelf komt ook nog aan de orde als ik inga op de relatietherapie van Sue Johnston. Bij relatietherapie is er namelijk wel een stukje van de omgeving aanwezig, de partner. Dan kan je als therapeut de invloed van hechting veel makkelijker zichtbaar maken en gebruiken in de therapie.

Ik ga nu eerst verder met de ideeën van een moderne psychiater, Gabbard (2010), die geïnspireerd werd door theorieën van eerdere psychoanalytici. Deze psychiater wees me op een probleem waar ik ook mee worstel namelijk dat, hoe mooi je theorie of aanpak ook is, er ook steeds tekortkomingen aan kleven.

Gabbard: moderne psychodynamische psychotherapie
De ideeën van veel psychoanalytici werden door hun opvolgers verfijnd, veranderd en gemoderniseerd. Een van de hedendaagse therapieën die gebaseerd werden op de rijkdom aan ideeën binnen de psychoanalyse is de psychodynamische psychotherapie. De Amerikaanse psychiater Glenn Gabbard, geboren in 1949, schreef onder andere een boek over de psychologie van de Sopranofamilie, The Psychology of the Sopranos: Love, Death, Desire and Betrayal in America’s Favorite Gangster Family.

Die titel spreekt me erg aan en wekt bij mij de indruk dat hij heel wat ervaring heeft metde achterkant van de samenleving en onderkant van de menselijke geest. Flauw woordgrapje zal je misschien denken, maar soms heb ik er behoefte aan om uitdrukkingen of woorden aan te passen omdat het dan net iets beter bij mijn eigen gevoel past. Ik moet overigens bekennen dat ik het boek zelf nog niet gelezen heb. Wel ken ik zijn boek ‘Psychodynamische therapie in de praktijk’ (Gabbard, 2010). Daarin legt hij heel helder de principes van de psychodynamische psychotherapie uit. Ik beperk me hier tot wat hij denkt hoe therapie kan werken.

Gabbard is tamelijk bescheiden over genezing door therapie. Hij gaat wel uit van vooruitgang door therapie. Hij zegt dat je alleen de vooruitgang van een cliënt kan bijhouden als je enig idee hebt van de manier waarop psychodynamische therapie werkt. Hij stelt dat het een enorme opgave is om vast te stellen wat de mechanismen van therapeutisch handelen zijn.

Hij ziet alleen al een groot probleem om daar achter te komen omdat wij therapeuten de neiging hebben veel te veel waarde te hechten aan onze theorieën: we denken graag dat onze voortreffelijk geformuleerde interpretaties op grond van een bepaalde theorie bij de cliënt tot diepzinnige inzichten zal leiden.

Ook de cliënten zelf zullen vaak niet veel betrouwbaarder kunnen vertellen wat heeft geholpen dan therapeuten. Volgens hem vinden veel veranderingen waarschijnlijk onbewust plaats. Toch gaat hij er gelukkig wel verder op in wat de mogelijke mechanismen zijn hoe therapie kan helpen. Het heeft te maken met de doelstelling die de therapeut voor ogen heeft. Dat licht ik zo graag verder toe.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Gabbard, G. (2010). Psychodynamische therapie in de praktijk. Amsterdam: Hogrefe. Klein, M. (1975). Love, Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.

 

 

23. Traumatische ervaringen door onveilige omgeving?

Hoe kan therapie genezen 23.

Bowlby heeft als een van de eerste therapeuten aandacht gevraagd voor echte traumatische ervaringen door de opvoeding. Volgens hem kan een gebrekkige sensitiviteit van opvoeders een directe oorzaak zijn van onveilig hechtingsgedrag, traumatische ervaringen en gevoelens van verwaarlozing en eenzaamheid bij kinderen (Bowlby 1980). In zijn tijd in de jaren zestig was dat zeker niet onomstreden. Ik kan me ook voorstellen dat psychoanalytici het erg oneens waren met Bowlby.

Plotseling kwamen klachten en symptomen niet meer voort uit verborgen wensen en behoeften of beschamende gedachten van het kind (zie bv de eerdere blogs over Freud, Horney en Klein), maar werden toegeschreven aan de ongevoeligheid van de ouders of opvoeders naar het kind toe. Belevingen van traumatische gebeurtenissen bleken niet slechts door de fantasie gekleurde ervaringen, maar reële tekortkomingen van de omgeving die niet sensitief genoeg had gereageerd. Er bleek sprake van echte verwaarlozende omgeving in plaats van een gewone, normale omgeving die als te negatief beleefd werd.

Bij alle vorige therapieën kwam de omgeving eigenlijk niet direct ter sprake. De genezing van klachten bevond zich in de persoon zelf. De mogelijkheid om te komen tot een integratie van positieve en negatieve ervaringen bood kans op genezing. Maar wat nu als de omgeving de voornaamste oorzaak van klachten is? Schieten we daar iets mee op? Moeten we nu alle ouders gaan instrueren hoe ze er voor kunnen zorgen dat hun kind veilig gehecht kan raken? Ja, dat zou ik best graag willen.

Voorkomen van trauma en verwerking van emoties
Een cursus voor ouders zou dan kunnen inhouden wat therapeuten hun cliënten later als nog proberen te leren. Ik denk dan vooral aan het op een gezonde manier omgaan met allerlei heftige emoties als woede, schaamte, verdriet, angst voor ziekte en dood, wantrouwen, trots, vernedering, liefde, betrokkenheid, zorgzaamheid en het aangaan van waardevolle relaties met anderen. Ik had graag gewild dat mijn ouders, die me zo’n mooie naam gaven, dat voor me hadden kunnen betekenen. Ik zou heel graag willen dat ik dat voor mijn kinderen zou kunnen betekenen.

Ik weet echter dat ik daar maar gedeeltelijk aan kan voldoen. Ik ben slechts gedeeltelijk een sensitieve opvoeder. Ik bemerk vaak een strijd tussen willen zorgen voor mijn drie kinderen en het toegeven aan mijn eigen behoeften. Ik doe mijn best voor mijn kinderen, maar ik weet dat ik helaas regelmatig tekortschiet, omdat ik eigenlijk zo graag werk en soms te weinig tijd voor hen vrijmaak.

Tegelijkertijd probeer ik ze allerlei trauma’s te besparen, waardoor ze mogelijk juist te weinig leren omgaan met frustraties. Ik trek soms de haren uit mijn hoofd uit overbezorgdheid over hoe ik ze groot kan brengen tot stevige, aardige, zelfstandige volwassen. Ik troost me met de gedachte dat ik ook geen perfecte, ideale moeder hoef te zijn. De psychoanalyticus Winnicott gebruikte wel de uitdrukking ‘goed genoeg’ moeder. Daar heb ik houvast aan. Ook denk ik dat een moeder af en toe moet falen in de ogen van haar kinderen, en afwijzing voor lief moet nemen, om uiteindelijk echt emotioneel tot elkaar te komen.

Ik maak me regelmatig zorgen over nare ervaringen die ze in hun leven kunnen oplopen en of ik hen daarbij wel genoeg kan steunen. Ik heb er wat dat betreft groot belang bij om zo goed mogelijk in te schatten welke gebeurtenissen een traumatisch impact hebben. Laat ik daarom nog even verder ingaan op het verschil tussen de echt ervaren trauma’s van Bowlby en de verbeelde trauma’s van Klein.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.

22. Onbewuste patronen van onveiligheid doorbreken

Hoe kan therapie genezen 22.

Wat kan een therapeut bieden in geval van onveilige hechting? In therapie gaat het volgens sommige therapeuten zoals Bowlby (1980) om een emotioneel correctieve ervaring, en om doorbreking van de vastgeroeste mentale representaties van gehechtheid die gezond functioneren belemmeren.

Vanuit dat oogpunt bekeken is een therapie dan succesvol als een cliënt in staat is om zijn vaste onbewuste patroon van wantrouwen en onveiligheid naar andere mensen te doorbreken en nieuwe, meer verschillende soorten relaties aan kan gaan. Het is behoorlijk veel wat er dan als therapeut van je verwacht wordt.

IJzendoorn et al. (2010) waarschuwen wel voor ‘gehechtheidtherapie’. De gehechtheidtheorie biedt belangrijke informatie ten behoeve van therapie, maar is niet bedoeld als een op zichzelf staande therapie. Gehechtheid speelt een rol in elke persoonlijke en therapeutische relatie, of je wil of niet. Je kunt daar beter rekening mee houden, bewust van zijn en gebruiken ten dienste van de cliënt.

Zodra de relatie tussen therapeut en cliënt ter sprake komt en je een vertrouwensband wilt opbouwen, krijg je te maken met de verschillen in de mate van hechting. Expliciet wordt er misschien nog niet zo vaak rekening mee gehouden, maar impliciet eigenlijk wel en al lang. Het lijk me wat dat betreft een goed idee om de relatie tussen therapeut en cliënt vaker en duidelijker, hardop in termen van hechting en vertrouwen te gaan benoemen.


Sensitieve wisselwerking tussen therapeut en cliënt

Gelukkig zijn er ook veel cliënten die een behoorlijk veilige basis hebben, en waarbij hechtingsgedrag een minder belangrijke rol speelt. De les van de gehechtheidtheorie is misschien vooral dat er een wisselwerking bestaat tussen het sensitieve gedrag van de therapeut en dat van de cliënt. Dit kan naar mijn idee worden doorgetrokken naar allerlei vormen van therapie.

Sensitiviteit voor én tegenwicht bieden aan de automatische stijl van de cliënt (zie vorige blog) lijkt me een belangrijke taak voor de therapeut. Ik denk daarbij ook aan het tegenwicht bieden aan de denkstijl van de cliënt. Om het even heel zwart-wit voor te stellen zouden cliënten met een pessimistische denkstijl, ‘zwartdenkers’, bijvoorbeeld meer behoefte kunnen hebben aan een optimistische, enthousiaste therapeut die in ze gelooft en vertrouwen geeft. ‘Witdenkers’ kunnen meer behoefte hebben aan een stevige, begrenzende therapeut met een gezond wantrouwen, die zich juist niet te snel laat meeslepen door het aanstekelijke enthousiasme van optimisten.

Als therapeut lijkt het me vooral belangrijk dat je je eigen hechtingsstijl erkent en kunt herkennen welke invloed dat heeft op de relatie met je cliënt. Deze sensitiviteit voor de cliënt zou je kunnen vergelijken met de sensitiviteit van een moeder of opvoeder voor een kind. Daarmee wil ik nog even terugkomen op de mogelijke gevolgen van gebrekkige sensitiviteit van ouders.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma.
Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.