71. Moed hebben om te genezen op de manier van de cliënt

Hoe kan therapie genezen 71.

We moeten volgens Miller de moed hebben om een cliënt te genezen op de manier van de cliënt (Duncan, Miller en Sparks, 2004). Daarvoor is nodig dat we aan de cliënt vragen wat die nodig heeft, welke doelen en verwachtingen de cliënt ziet en hoe die denkt dat hij of zij beter kan worden.

Cliënten weten vaak wel wat er nodig is, en als we het hen vragen en heel goed luisteren naar wat ze echt bedoelen, en steeds de uitkomst checken van wat we doen, kunnen we ze het best van dienst zijn.

Miller verwerpt een exclusieve en op theoretische expertise gebaseerde therapie. Niet een medisch model maar een model gebaseerd op de relatie met de therapeut is de beste kandidaat voor het genezen van psychische problemen. Het gaat over de ideeën van de cliënt hoe die kan genezen, over de door cliënt gekozen prioriteiten, door de cliënt begonnen activiteiten en door de cliënt ervaren vooruitgang.

Ik denk overigens niet dat het zozeer aan de mooie en elegante beoordelingsschaaltjes ligt, die hij heeft ontwikkeld (zie vorige blog). Die zijn slechts een hulpmiddel om daadwerkelijk kritiek en een oordeel te vragen aan de cliënt.

Ik zie het als een grote verdienste van Miller dat hij het goed luisteren naar de cliënt weer in ere heeft hersteld. Hij ging weer terug van een theorie-gestuurde therapie naar een cliënt georiënteerde therapie. Veel cliënten zijn hem daar erg dankbaar voor.

Miller en zijn collega’s (Duncan et al. 2004) geven diverse voorbeelden van dankbare cliënten. Amy, een cliënte met de diagnose Borderline had veel problemen om anderen te vertrouwen, vooral als ze een wat intiemere band met iemand ontwikkelde. Ze reageerde dan vaak inadequaat en ongepast. Zij zei dat ze diep in haar hart heel goed wist wat ze nodig had, en dit ook al heel lang wist.

Deze cliënte legde op een heldere manier uit dat zij een relatie nodig had met een therapeut die haar hielp om rijpere emotionele relaties aan te gaan met anderen. Ze kon ook precies vertellen hoe een dergelijke emotionele rijping zich kon ontwikkelen met behulp van het veilig oefenen van allerlei gedragingen met vallen en opstaan, en feedback daarop.

Verder geven deze therapeuten aansprekende voorbeelden van het herstel bij verschillende cliënten met schizofrenie. Deze cliënten vertelden dat de sleutel van hun herstel lag in het vinden van een veilige, beschaafde plek om te leven, met een mentor, iemand die ze vertrouwde, die betrokken was en om hen gaf.

De therapeut met het badwater weggooien

Miller en collega’s schrijven zeer enthousiast over deze methode waarin de cliënt de alfa en de omega is van de therapie. Ik krijg echter wel het gevoel dat hij daarbij zichzelf en andere goede therapeuten wel erg uitvlakt of met het badwater weggooit.

Ik denk dat hij een zeer bedreven therapeut is met heel veel ervaring met moeilijke cliënten. Hij heeft geleerd daadwerkelijk te horen wat cliënten zeggen en zich in hun vaak ingewikkelde leefwereld te begeven. Daarvoor is volgens mij heel veel kennis en ervaring nodig van psychologische theorieën.

Natuurlijk kun je gewapend met beoordelingsschaaltjes de feedback vragen van de cliënt. Als therapeut moet je dan toch zover zijn om de kritiek aan te kunnen nemen, niet te veel op jezelf te betrekken, je eigen afweer- en beschermingsmechanismen te kunnen inschatten en ze in dienst van de cliënt te kunnen inzetten.

Daarnaast zullen cliënten die in hun eigen kringetje ronddraaien, en met hun eigen gedachtespinsels hun leven proberen op orde te krijgen, meer nodig hebben dan feedback. Ik denk dan aan het leren omgaan met frustratie, bewust worden en uiten van emoties, durven aangaan van pijnlijke of traumatische ervaringen, het overwinnen van trots, hulp kunnen aannemen, het aanvaarden van grenzen en relativeren van onmogelijke idealen. Emotionele ontwikkeling en groei heeft, denk ik meer nodig dan het volledig volgen van de cliënt in zijn doelen, wensen en verwachtingen.

In de voorbeelden die Miller geeft, zie ik de moeite die hij zichzelf getroost heeft om cliënten zo goed mogelijk te helpen met behulp van een grote deskundigheid in zijn vak. Hij kan de cliënt aan het woord laten, mede omdat hij zo goed afstand kan nemen van zijn eigen ideeën en denkwereld. Ik vind wat dat betreft dat Miller zichzelf tekort doet in zijn poging om de cliënt weer de enige held te maken van de therapie.

Denk eens aan al die therapeuten die met veel moed en betrokkenheid hun eigen veilige gebaande paden en vertrouwde gedachtewereld durven verlaten en een soms onbegrijpelijke, kronkelachtige gedachtewereld van de cliënt vol verborgen spelonken van boosheid, minachting en afwijzing binnen willen treden. Niet de minste therapeuten zijn aan het eind van hun leven somber geworden, mogelijk van machteloosheid ten overstaan van sommige vernietigende, menselijke krachten.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Duncan, B.L., Miller, S.D., and Sparks, J.A. (2004). The heroic client. San Francisco: Jossey-Bass.

Advertenties

70. Scott Miller: the heroic client

Hoe kan therapie genezen 70.

Moeten we de evidence based therapieën (zie vorige blogs) misschien als goed bedoelde maar te beperkte behandelingen beschouwen? Scott Miller en zijn collega’s stellen in het boek ‘The heroic client’ (Duncan, Miller en Sparks, 2004) inderdaad voor om zowel de diagnoses in de psychiatrie als de daaraan gekoppelde bekende behandelingen te schrappen.

Scott Miller vindt het een mythe dat we cliënten kunnen helpen volgens het medische model waarop evidence based therapieën gebaseerd zijn. Dat model slaat de plank volledig mis en vergeet vooral dat er een cliënt is. Die komt nota bene niet eens in het diagnose-behandelplan voor. Elk voorstel voor therapie waar de cliënt niet meetelt is een aanfluiting voor geestelijke gezondheidszorg, zegt Miller.

Een diagnose geeft volgens hem bovendien een lelijk, vlak, weinig relevant en onbetrouwbaar plaatje van wat er bij een cliënt aan de hand is, laat staan dat je daar een behandeling aan kan koppelen.

Hij onderbouwt zijn mening uitstekend met wetenschappelijke cijfers. Hij laat zien wat de bekende factoren zijn die verandering bij cliënten kunnen verklaren. Veertig procent van de verandering in therapie is toe te schrijven aan de cliënt zelf en andere oorzaken buiten de therapie. Dertig procent van de verandering kan verklaard worden door de relatie of band met de therapeut. Vijftien procent kan toegeschreven worden aan positieve verwachtingen, hoop en het placebo-effect.

Tot slot kan slechts ongeveer vijftien procent verklaard worden door de soort therapie. Daarvan blijkt echter acht procent verder verklaard te kunnen worden door het rolmodel dat de therapeut toont, en uiteindelijk slechts één procent door een specifieke techniek. Scott Miller stelt daarom voor dat therapeuten zich richten op de eerste veertig procent die door cliënt verklaard wordt en de volgende dertig procent: de band met de therapeut.

Elke keuze van de therapeut voor een bepaalde theoretische benadering en aanpak houdt volgens Scott Miller beperkingen in. Aan de andere kant betekent een theoretische anarchie zonder enig houvast veel flexibiliteit, maar ook meer onzekerheid en onduidelijkheid.

Elke therapeut heeft een natuurlijke voorkeur voor een bepaald soort therapie, maar zal kunnen begrijpen dat er geen inherent juiste manier is om therapie uit te voeren. Hoe ongehoord lastig dat ook klinkt en hoe onzeker dat ook voelt, het opent volgens Miller de weg naar onbeperkte mogelijkheden voor verandering.


Elegante, eenvoudige feedbackmethode

Miller heeft een heel aardige, vriendelijke oplossing bedacht hoe we therapie dan het best kunnen aanpakken. De cliënt moet weer de held van zijn eigen leven worden en ook de centrale persoon in therapie. Hij noemt zijn methode een revolutionaire manier om de effectiviteit van therapie te verbeteren.

Zijn sleutelingrediënt: het voortdurend vragen van feedback aan de cliënt over hoe de therapie verloopt en of het aansluit bij wat de cliënt nodig heeft. In andere woorden, hij heeft een heldere feedbackmethode bedacht om voortdurend op de hoogte te zijn van de vragen en behoeften van de cliënt.

Om feedback te krijgen heeft Scott Miller (Duncan, Miller en Sparks, 2004) een even elegante als eenvoudige techniek ontwikkeld. Deze komt er op neer dat je steeds als therapeut vraagt aan de cliënt of je als therapeut nog aansluit bij de wensen en doelen, en bijdraagt aan een vermindering van problemen. Aan het begin van elke sessie legt hij de cliënt vier vragen voor. De cliënt beantwoord deze vragen op papier door een markering te zetten op een horizontale lijn van 10 centimeter.

Er wordt gevraagd om terugkijkend naar de laatste week, met vandaag erbij, te vertellen hoe het met je gegaan is. Je kunt dit schatten door een markering te zetten op de lijn hoe goed het met je gegaan is op vier gebieden van je leven. Markeringen naar de linkerkant geven aan een laag niveau van functioneren aan. Markeringen naar de rechterkant geven een hoog niveau aan.

Aan het eind van de sessie stelt hij op dezelfde manier vier andere vragen om het gesprek te evalueren. Dit doet hij met een sessie-beoordelingsschaal. Hij vraagt een beoordeling van de zitting door een markering te zetten op de lijn dichtbij de beschrijving die het best past bij jouw ervaring. Deze vragen gaan over de relatie met de therapeut, of de doelen aansloten, of de aanpak van de therapeut geschikt was en of de zitting over het geheel genomen goed was of dat er iets ontbrak. Ik vind het dapper om je als therapeut zo op een behoorlijk directe manier te laten beoordelen.

Zijn methode is ook wel bekend geworden als de Routine Outcome Measure. Met deze feedback heb je als therapeut heel snel in de gaten of je op de goede weg zit of niet. Je kunt je stijl en aanpak vervolgens aanpassen aan de behoeften van de cliënt.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Duncan, B.L., Miller, S.D., and Sparks, J.A. (2004). The heroic client. San Francisco: Jossey-Bass.

69. Bewezen aanpak van depressieve klachten

Hoe kan therapie genezen 69.

Er is natuurlijk ook een op wetenschappelijk bewijs gebaseerde behandeling van depressieve klachten. Depressieve klachten worden vaak aangepakt met behulp van bewezen interventies uit de cognitieve gedragstherapie. Deze evidence based therapie bij depressie komt in het heel kort op het volgende neer.

Je leert je bewust te worden van negatieve gedachten die je zelfwaardering naar beneden halen. Je leert deze gedachten herkennen en je leert meer reële gedachten over jezelf en anderen te ontwikkelen.

Daarbij is het heel belangrijk om weer activiteiten te gaan ondernemen om positieve ervaringen op te doen. Vooral het opnieuw leren aangaan, aanhalen en verbeteren van sociale contacten zorgen daarbij voor een vermindering van depressieve gevoelens.

Het beseffen dat jij zelf actie moet ondernemen en dat anderen dat niet voor jou gaan doen, speelt daarin een heel belangrijke rol. In therapie kun je deze doelstellingen met behulp van de therapeut gaan aanpakken. In acht tot twaalf gesprekken kan dit tot een behoorlijke verbetering leiden (Keijsers, et.al., 1997).

Je kunt ook een behandeling voor depressie zoeken op basis van Interpersoonlijke Psychotherapie (IPT). Naast cognitieve gedragstherapie is dit een bewezen effectieve therapie bij depressie. Interpersoonlijke psychotherapie gaat er vanuit dat veel psychische klachten samenhangen met veranderingen in sociale relaties. In het ‘Leerboek Interpersoonlijke Psychotherapie’ van Blom, Peeters en Jonker (2011) worden de principes helder uitgelegd.

Doel van de therapie is een verbetering van relaties met personen binnen en buiten je netwerk en daarmee het verminderen van de depressie of andere klachten. Het is een overzichtelijke vorm van psychotherapie van 12 tot maximaal 16 gesprekken. Het aantal gesprekken wordt van te voren vastgesteld zodat de cliënt precies weet waar die aan toe is. De cliënt wordt geacht daarna goed in staat te zijn om op eigen kracht weer verder te gaan.

Succes gegarandeerd

Ik garandeer je dit keer succes. Zowel cognitieve therapie als interpersoonlijke psychotherapie bestaan uit bewezen effectieve interventies, en ze werken echt. Daarna zal je zien dat je klachten behoorlijk verminderen of verdwijnen. Als je een onderliggende problemen hebt zoals gebrek aan basisveiligheid, emotionele ontwikkelingstekorten of persoonlijkheidsproblemen, zal het alleen slechts tijdelijk werken.

Als dezelfde klachten terugkeren of in een andere vorm de kop opsteken, neem dan de tijd voor een gedegen therapie waarin therapeut en cliënt samen, ver voorbij techniek en theorie, het proces aangaan van emotionele groei en het leren aangaan van zingevende, waardevolle relaties.

Scott Miller (Duncan, Miller en Sparks, 2004) vindt echter dat je evidence based therapie beter helemaal kan overslaan en zo ie zo beter kan beginnen met een behandeling waarbij de cliënt centraal staat in plaats van de techniek.

De cliënt hoort volgens hem de held te zijn van de therapie. Ik ben het niet helemaal met hem eens, en daar kom ik straks even op terug. Ik wil eerst graag vertellen hoe hij tegen therapie aankijkt, en vooral hoe hij dan denkt dat therapie kan genezen.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Blom, M., Peeters, F. en Jonker, K. (2011). Leerboek Interpersoonlijke Psychotherapie. Houten: Bohn, Stafleu, van Loghum.
Duncan, B.L., Miller, S.D., and Sparks, J.A. (2004). The heroic client. San Francisco: Jossey-Bass.
Keijsers, G.P.J., Minnen, A. van, Hoogduin, C.A.L. (1997). Protocollaire behandelingen in de ambulante GGZ. Houten: Bohn, Stafleu, van Loghum.