26. Ideale afsluiting van psychodynamische therapie?

Hoe kan therapie genezen 26.

Bij cliënten met een basaal gebrek aan vertrouwen moet de therapeut steeds opnieuw als het ware bewijzen dat de therapeut de cliënt accepteert, vertrouwt en daadwerkelijk kan helpen. De aanvallen van wantrouwen kunnen dan langzaam gaan afnemen (zie vorige blog). Het is daarbij vaak al lastig om de vooruitgang te boordelen bij een cliënt. Hoe kun je dan weten wanneer er genoeg behandeld is en wanneer een therapie afgesloten kan worden?

Volgens Gabbard (2010) kan het therapieproces ook gezien worden als een doorwerken van de relatie met de therapeut tot een volwassen relatie, en als een spiegel hoe iemand vanuit zijn jeugd gewend is om met andere mensen om te gaan. De cliënt leert gaandeweg dat zijn manier van reageren weinig te maken heeft met de werkelijke reacties, maar met zijn verwachting hoe anderen op hem zullen reageren. Hij merkt steeds meer dat zijn eigen innerlijke houding en emotionele toestand kleuren hoe hij tegen anderen aankijkt. Veel van dat doorwerkproces houdt in dat je een cliënt helpt te rouwen om het verlies van onrealistische dromen en fantasieën die een volwassen contact in de weg staan.

De ideale afsluiting waarbij alle thema’s rond kinderlijke fantasieën, wensen en moeilijke relaties volledig zijn doorgewerkt, komt zo nu en dan voor ‘als het geluk de therapeut en de cliënt toelacht’. In de praktijk ziet Gabbard vaak dat de therapie op andere pragmatische gronden wordt beëindigd, zoals verhuizing, ziekte, vastgestelde vergoeding, financiële problemen en natuurlijk ook door moeite om het vol te houden of juist om het af te ronden, of van de kant van de cliënt of van de therapeut.

Weerstand, vlucht of echt genezen?
Om toch houvast te hebben om te weten wanneer een therapie afgesloten kan worden, geeft hij wel enkele aanwijzingen. In principe kan de cliënt zelf aangeven wanneer hij het goed genoeg vindt, de therapeut kan dan nagaan of de tijd inderdaad rijp is (Gabbard, 2010).

Therapeuten moeten daarbij alert zijn omdat een vraag om afsluiting ook weerstand of angst kan betekenen voor de therapie. Een therapeut kan zich een aantal vragen stellen. Rent de cliënt ergens voor weg? Is hij teleurgesteld in de therapie of kwaad op de therapeut? Vlucht hij in gezondheid? Deze vragen en eventuele misverstanden kunnen opnieuw doorgewerkt worden om uiteindelijk tot een natuurlijke afsluiting te komen. Je kunt je voorstellen dat je voor deze psychodynamische therapie, net als voor veel psychoanalytische therapieën die vaak gepaard gaan met angstige pijnlijke ervaringen, veel motivatie nodig hebt.

Soms ook raak ik ontmoedigd door de vele mogelijkheden, moeilijkheden, frustraties en pijn die zowel de cliënt als de therapeut ten deel kunnen vallen tijdens therapie. Gelukkig is dat ook niet altijd nodig. Bij minder complexe problemen kun je met andere therapieën een heel eind komen.

Er zijn veel interessante, verstandige therapieën ontwikkeld die kortdurend zijn en vaak minder pijnlijk of frustrerend voor de cliënt. Een belangrijke stroming is bijvoorbeeld de cognitieve therapie die ontwikkeld werd door Beck en anderen (1990). Ik vind dat die stroming opvallende, uitdagende en praktische antwoorden geeft op hoe therapie kan genezen.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Gabbard, G. (2010). Psychodynamische therapie in de praktijk. Amsterdam: Hogrefe. Beck, A.T., Freeman, and associates (1990). Cognitive Therapy of Personality Disorders. New York: The Guillford Press.

 

 

Advertenties