25. Elke therapeut zijn eigen doel

Hoe kan therapie genezen 25.

Zoals Gabbard zegt (zie vorige blog), weten we nog te weinig vaak wat de mechanismen zijn waardoor klachten verdwijnen. Toch kunnen therapeuten bijzonder veel voor cliënten betekenen en genezen er regelmatig cliënten. Daarom ga ik graag verder met zijn ideeën daarover.

Volgens Gabbard (2010) heeft het werkingsmechanisme in de therapie vaak te maken met de doelstelling of het doel die de therapeut in zijn opleiding geleerd of ontwikkeld heeft. Ofwel, de doelstelling in een therapie hangt vaak sterk samen met het theoretische kader dat er onder ligt. Hij noemt een aantal mogelijke doelen waarin ik soms de gedachten van bekende therapeuten terugzag.

Een doel van therapie kan zijn om de aard van onbewuste conflicten te onderzoeken om daarmee de zichtbare symptomen te verhelpen. De symptomen of klachten worden daarbij gezien als uitingen of verplaatsingen van onbewuste behoeften of wensen. Deze therapeutische stroming werd vooral gebaseerd op Freuds ideeën (zie blog 9, 10 en 11) en wordt ook wel Egopsychologie genoemd.

Een ander doel van het therapeutisch proces is om je ware zelf te ontdekken, het gevoel jezelf te mogen zijn en authentiek. Dat komt me bekend voor, het doet me erg aan Karen Horney denken (zie blog 6, 7 en 8).

De psychoanalytische therapie op basis van de Zelfpsychologie van Kohut (blog 3 en 4) heeft als doel om op een volwassen en gepaste wijze gebruikt te kunnen maken van betekenisvolle anderen. Het gaat om een verbeterd vermogen om voedende relaties aan te gaan.

Therapeuten met een relationele oriëntatie hebben als belangrijkste doel om zicht te geven op relaties met anderen. Ze laten cliënten zien dat ze de neiging hebben om eigenschappen en ideeën van zichzelf ook toeschrijven aan anderen, en dat dit relaties nadelig beïnvloedt. Door de therapie vindt er een transformatie plaats waardoor een cliënt meer in de werkelijke wereld en minder in een fantasiewereld leert leven.

Therapeuten die veel werken met trauma’s en verwaarlozing in de jeugd gaan uit van een tekort in het vermogen om eigen en andermans gevoelens, gedachten en gedragingen in te schatten en te onderscheiden. Dit vermogen wordt ook wel mentaliseren genoemd. Ze hebben bijvoorbeeld als doel om dit vermogen om een plaatje te maken van de innerlijke wereld van anderen alsnog aan te leren of te verbeteren.

Daarbij moest ik weer even denken aan mijn zorgen bij het opvoeden. Als je er bij stilstaat, is me dat nogal een taak: om kinderen te leren om de innerlijke wereld van andere kinderen goed te leren in schatten. Hopelijk gaat dat toch voor een groot deel automatisch en vanzelf, anders sta ik niet in voor mijn opvoedkundige kwaliteiten.

Gabbard schets nog veel meer therapeutische doelen, maar hier laat ik het even bij. Het is zo al wel duidelijk dat de inbreng, achtergrond en motieven van de therapeut niet over het hoofd gezien kunnen worden bij de werking van therapie. Gabbard waarschuwt daarnaast voor de onbewuste inbreng van de therapeut.

Onbewuste motieven van de therapeut
Gabbard (2010) geeft heel mooi aan dat we nooit helemaal zeker kunnen zijn wat onze motieven zijn of wat we van plan zijn, bij geen enkel psychotherapeutisch proces. Therapeuten kunnen bijvoorbeeld vrij makkelijk en onbewust een specifieke relatie ontwikkelen met cliënten om aan het eind van een werkdag een goed gevoel te hebben.

Dit betekent dat een therapeut voortdurend alert moet zijn op alle mogelijke moeilijkheden, gevaren, valkuilen en onbewust motieven van zowel de cliënt als de therapeut zelf. Met behulp van psychoanalytische technieken als interpretatie, vrije associatie, duiding van overdracht, tegen overdracht, en ook diverse technieken uit andere stromingen zoals suggestie, cognitieve herstructurering, exposure, bevestiging, zelfonthulling en cliënt gerichte methoden laveert hij tussen de gevaren door.
Uiteindelijk kan de cliënt dan leren hoe hij een volwassen en betrokken relatie met de therapeut ontwikkelt, en leren om dit ook buiten de therapie met anderen te durven aangaan.

Gabbard sluit zich aan bij de opvattingen van Winnicott en Malan (zie blog 13, de therapeut mogen afwijzen) dat het uiteindelijk erg belangrijk is dat, wat er ook gebeurt, de therapeut blijft volhouden. Vanwege het basale gebrek aan vertrouwen dat er vaak bestaat, zal de cliënt tijdens de therapie de therapeut vernietigen. De therapeut zal die aanvallen van de cliënt moeten zien te overleven. Uiteindelijk kan de cliënt het vertrouwen krijgen dat hij niet zal worden afgewezen, gezond gehecht kan raken en echt gebruik gaan maken van de therapeut.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston

Literatuur
Gabbard, G. (2010). Psychodynamische therapie in de praktijk. Amsterdam: Hogrefe.

Advertenties