21. Onveilige hechting oorzaak van psychische klachten

Hoe kan therapie genezen 21.

Onveilige hechting in de kindertijd kan allerlei gevolgen hebben voor de emotionele ontwikkeling van kinderen. Het wetenschappelijk vaststellen van deze gevolgen is dan ook een belangrijk onderzoeksterrein. Veel wetenschappers hebben zich daarbij laten inspireren door Bowlby (1980) en het onderzoek naar hechtingsgedrag van Marie Ainsworth. Onderzoek heeft zich bijvoorbeeld gericht op gezinnen waar de communicatie zichtbaar inadequaat is. Ik wil een paar bevindingen noemen.

Er werd inderdaad vaker onveilig hechtingsgedrag gezien in gezinnen met duidelijk inadequate communicatie. Ook werden er verschillen in hechting gevonden tussen verschillende soorten gezinnen. In gezinnen waar sprake was van geweld, verwaarlozing of emotioneel of seksueel misbruik werd er vaker onveilige vermijdende of ambivalente hechting gezien (zie vorige blog voor een indeling van hechtingsgedrag).

Gedesorganiseerd gehechtheid lijkt vooral veroorzaakt te worden door beangstigend of angstig en extreem intensief gedrag van ouders. Die kinderen zitten als het ware gevangen in het onoplosbare probleem dat hun hechtingsfiguur zowel een bron van troost en veiligheid is, als van stress en angst (IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg, 2010). Verder onderzoek hiernaar liet bijvoorbeeld zien dat bepaald soort gedrag van de ouder zoals teruggetrokken of afwezig gedrag, een bulderende stem, een aanvalshouding of ruwe behandeling, desorganisatie van gehechtheid op kan roepen.

Verder blijkt de gehechtheidtheorie ook gedeeltelijk te kunnen voorspellen welke mensen gevoeliger zijn voor psychische klachten en traumatische gebeurtenissen (IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg, 2010). Uit verschillend onderzoek bleek dat veilig gehechte kinderen later beduidend minder kans hadden op psychische klachten dan kinderen met andere hechtingstijlen. Kinderen met een gedesorganiseerde hechtingstijl hadden het vaakst last van allerlei psychische klachten.

Als we een oorzaak weten van psychische klachten betekent dat helaas niet direct dat we ze ook met therapie goed kunnen behandelen. Wat zou therapie kunnen bijdragen in geval van onveilige hechting?

Verbeteren van gehechtheid door therapie
Of wat heeft de gehechtheidsrelatie nu met succes van de therapie te maken? Therapeutisch gezien zou het kunnen herstellen of verbeteren van de gehechtheidrelatie kunnen helpen om psychische klachten te verminderen. Bowlby gebruikte naar mijn weten zijn eigen theorie uiteindelijk niet om daarmee een therapie te ontwikkelen. Hij gebruikte het als invalshoek om psychische klachten te verklaren en impliciet als uitgangspunt voor zijn relatie met de cliënt.

Anderen hebben geprobeerd hechting meer expliciet in de therapie te betrekken. IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg (2010) geven op basis van hun ervaringen en onderzoek bijvoorbeeld enkele aanbevelingen voor therapie.

Ten eerste zou de therapie een veilige basis moeten scheppen voor het onderzoeken en uiten van de eigen emotionele problemen. Gehechtheid is volgens hen geen noodlot dat in de eerste jaren vast komt te staan, maar speelt levenslang een rol en kan veranderen als gevolg van nieuwe positieve ervaringen. Een sleutelingrediënt is het opdoen van nieuwe, veilige positieve ervaringen in de hechting met andere mensen. Een therapeut kan fungeren als rolmodel en nieuwe positieve gehechtheidervaringen bieden.

Ten tweede adviseren ze een juiste koppeling tussen de cliënt en de therapeut, waarbij de gehechtheidstijl van allebei betrokken wordt. Ze vonden dat dit behoorlijke invloed heeft op het proces en de uitkomst van de therapie. Uit onderzoek bleek dat een optimale match vooral bestaat als de therapeut een andere hechtingstijl heeft dan de cliënt. Therapeuten met een veilige hechtingsstijl waren op zich het best in staat om tegemoet te komen aan de behoeften van de cliënt.

In de praktijk hebben natuurlijk lang niet alle therapeuten een dergelijke stijl. Er zijn genoeg therapeuten die zelf een moeilijke jeugd als achtergrond hebben waarin onveiligheid een rol heeft gespeeld. Wat dat betreft zeggen IJzendoorn en Bakermans-Kranenbrug dat een gereserveerde therapeut met een wat vermijdende hechtingstijl heel geschikt kan zijn voor cliënten met een onveilig ambivalente hechtingsstijl.
Wat dit nog meer voor gevolgen heeft voor therapie kom ik zo op.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma. Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.

 

 

Advertenties