19. Bowlby: gehechtheid en hechtingsgedrag

Hoe kan therapie genezen 19.

Bowlby, een Britse psychiater en psychoanalyticus die leefde van 1907 tot 1990, volgde een deel van zijn opleiding bij Melanie Klein. Hij kon zich echter niet echt goed vinden in de ideeën van Klein (1975) over hoe therapie een kind kon helpen. Hij verschilde vooral duidelijk van mening als het ging over de rol van de moeder voor het kind. Zoals gezegd (vorige blog) benadrukte Melanie Klein de fantasie waarmee een kind de werkelijke relatie met anderen kleurt en invult vanuit zijn eigen emotionele verlangens. Bowlby nam daar afstand van.

Naar zijn mening reageerden kinderen op echte reële gebeurtenissen en niet vanuit onbewuste wensen of fantasieën. Zelf had hij als kind weinig aandacht gekregen van zijn ouders en werd al vroeg naar een kostschool gestuurd. Deze eigen reële en traumatische periode in zijn leven speelde daarbij mogelijk een rol.

Zijn interesse in de impact van waargebeurde situaties op kinderen werd trouwens in die tijd door andere psychoanalytici weinig gewaardeerd. Dat kun je je misschien ook wel voorstellen omdat de psychoanalytische theorie inmiddels fantastische proporties had aangenomen waarbij vooral de binnenwereld van de cliënt werd bestudeerd in al zijn wonderlijke, soms bizarre, immorele of agressieve, meestal onderdrukte behoeften.

Bovendien stelde hij de traditionele verklaring waarom kinderen aan hun moeder gehecht raken ter discussie (Bowlby, 1980). De meest gangbare verklaring op dat moment hield in dat kinderen gehecht raakten omdat ze vanwege de voeding afhankelijk zijn van hun moeder. Oftewel, kinderen worden door de voeding die ze van hun moeder krijgen steeds weer positief beloond en ontwikkelen door deze beloning een positieve, warme band met hun moeder. In zijn boek ‘Attachment and loss’ (1980) stelde Bowlby dat deze beloningstheorie, of ook wel secundaire behoeftetheorie zoals hij het noemde, de band tussen moeder en kind niet goed genoeg kan verklaren.

Nieuwe verklaring voor de band tussen moeder en kind
Mede vanuit zijn ervaringen tijdens het behandelen van kinderen ontwikkelde Bowlby tegen de stroom in een andere theorie, de gehechtheidtheorie. Hij wilde daarmee ook verschillen in gezonde en pathologische ontwikkelingen bij kinderen op een nieuwe manier verklaren (IJzendoorn et al., 2010). Hij constateerde dat hechtingsgedrag eigenlijk een evolutionaire overlevingsstrategie is om een kind te beschermen tegen vreemden en indringers. Het is een emotionele, automatische reactie om bij gevaar bescherming te zoeken bij een veilig bekend persoon (Bolwby, 1980).

Deze reactie is heel natuurlijk en automatisch, en staat in dienst van de overleving van de soort. Het gevaar is samen veel beter te hanteren en te overleven dan als je er alleen voorstaat, en de heftigheid van de angst en emoties zullen dan navenant ook minder zijn. Veilig gehechte kinderen hebben goed geleerd dat ze een beroep op een ander kunnen doen als ze zich onrustig, gespannen of angstig voelen.

Deze benadering van gehechtheid verschilde op een belangrijke manier van de oude belonings- of secundaire behoeftetheorie. Bij de beloningstheorie is het kind afhankelijk van de moeder voor zijn eten direct vanaf de geboorte. Deze afhankelijkheid neemt steeds verder af naarmate een kind ouder wordt, en uiteindelijk kan het kind voor zichzelf zorgen. De theorie van gehechtheid stelt echter dat de band tussen moeder en kind even waardevol en belangrijk blijft ook als het kind inmiddels fysiek voor zichzelf kan zorgen.

Ook de emoties die gepaard gaan met verlies van hechting verschillen fundamenteel van emoties die gepaard gaan met gebrek aan voedsel of fysieke zorg. De behoefte aan veiligheid en bescherming gegeven door een moeder kan veel grotere en heftigere emoties losmaken als er niet aan wordt voldaan dan de behoefte aan een moeder vanwege de het verkrijgen van voedsel.

Aan het gedrag van kinderen kun je volgens Bowlby merken of ze veilig gehecht zijn. Veilig gesteunde kinderen zullen contact zoeken met moeder of andere opvoeder in tijden van angst, spanning, vermoeidheid, ziekte of verdriet. De moeder of een beschermende opvoeder kan het kind helpen om met zijn emoties te hanteren tijdens moeilijke situaties. Daardoor leert het kind hoe het met allerlei emoties, lichamelijke reacties en stress kan omgaan. Het leert dat veel onplezierige reacties en negatieve emoties die als overweldigend aanvoelen uiteindelijk wel te dragen zijn en dat er iemand anders is die dat veilig kan opvangen of begrenzen.

Voor de opvoeding, voor therapie en voor de kijk op trauma’s in de kindertijd heeft dit behoorlijk grote gevolgen. Om de impact daarvan te kunnen begrijpen, zal ik ook ingaan op Marie Ainsworth, die vaak in een adem met Bowlby genoemd wordt.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.
IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma. Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.

 

 

 

Advertenties