22. Onbewuste patronen van onveiligheid doorbreken

Hoe kan therapie genezen 22.

Wat kan een therapeut bieden in geval van onveilige hechting? In therapie gaat het volgens sommige therapeuten zoals Bowlby (1980) om een emotioneel correctieve ervaring, en om doorbreking van de vastgeroeste mentale representaties van gehechtheid die gezond functioneren belemmeren.

Vanuit dat oogpunt bekeken is een therapie dan succesvol als een cliënt in staat is om zijn vaste onbewuste patroon van wantrouwen en onveiligheid naar andere mensen te doorbreken en nieuwe, meer verschillende soorten relaties aan kan gaan. Het is behoorlijk veel wat er dan als therapeut van je verwacht wordt.

IJzendoorn et al. (2010) waarschuwen wel voor ‘gehechtheidtherapie’. De gehechtheidtheorie biedt belangrijke informatie ten behoeve van therapie, maar is niet bedoeld als een op zichzelf staande therapie. Gehechtheid speelt een rol in elke persoonlijke en therapeutische relatie, of je wil of niet. Je kunt daar beter rekening mee houden, bewust van zijn en gebruiken ten dienste van de cliënt.

Zodra de relatie tussen therapeut en cliënt ter sprake komt en je een vertrouwensband wilt opbouwen, krijg je te maken met de verschillen in de mate van hechting. Expliciet wordt er misschien nog niet zo vaak rekening mee gehouden, maar impliciet eigenlijk wel en al lang. Het lijk me wat dat betreft een goed idee om de relatie tussen therapeut en cliënt vaker en duidelijker, hardop in termen van hechting en vertrouwen te gaan benoemen.


Sensitieve wisselwerking tussen therapeut en cliënt

Gelukkig zijn er ook veel cliënten die een behoorlijk veilige basis hebben, en waarbij hechtingsgedrag een minder belangrijke rol speelt. De les van de gehechtheidtheorie is misschien vooral dat er een wisselwerking bestaat tussen het sensitieve gedrag van de therapeut en dat van de cliënt. Dit kan naar mijn idee worden doorgetrokken naar allerlei vormen van therapie.

Sensitiviteit voor én tegenwicht bieden aan de automatische stijl van de cliënt (zie vorige blog) lijkt me een belangrijke taak voor de therapeut. Ik denk daarbij ook aan het tegenwicht bieden aan de denkstijl van de cliënt. Om het even heel zwart-wit voor te stellen zouden cliënten met een pessimistische denkstijl, ‘zwartdenkers’, bijvoorbeeld meer behoefte kunnen hebben aan een optimistische, enthousiaste therapeut die in ze gelooft en vertrouwen geeft. ‘Witdenkers’ kunnen meer behoefte hebben aan een stevige, begrenzende therapeut met een gezond wantrouwen, die zich juist niet te snel laat meeslepen door het aanstekelijke enthousiasme van optimisten.

Als therapeut lijkt het me vooral belangrijk dat je je eigen hechtingsstijl erkent en kunt herkennen welke invloed dat heeft op de relatie met je cliënt. Deze sensitiviteit voor de cliënt zou je kunnen vergelijken met de sensitiviteit van een moeder of opvoeder voor een kind. Daarmee wil ik nog even terugkomen op de mogelijke gevolgen van gebrekkige sensitiviteit van ouders.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico. IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma.
Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.

Advertenties

21. Onveilige hechting oorzaak van psychische klachten

Hoe kan therapie genezen 21.

Onveilige hechting in de kindertijd kan allerlei gevolgen hebben voor de emotionele ontwikkeling van kinderen. Het wetenschappelijk vaststellen van deze gevolgen is dan ook een belangrijk onderzoeksterrein. Veel wetenschappers hebben zich daarbij laten inspireren door Bowlby (1980) en het onderzoek naar hechtingsgedrag van Marie Ainsworth. Onderzoek heeft zich bijvoorbeeld gericht op gezinnen waar de communicatie zichtbaar inadequaat is. Ik wil een paar bevindingen noemen.

Er werd inderdaad vaker onveilig hechtingsgedrag gezien in gezinnen met duidelijk inadequate communicatie. Ook werden er verschillen in hechting gevonden tussen verschillende soorten gezinnen. In gezinnen waar sprake was van geweld, verwaarlozing of emotioneel of seksueel misbruik werd er vaker onveilige vermijdende of ambivalente hechting gezien (zie vorige blog voor een indeling van hechtingsgedrag).

Gedesorganiseerd gehechtheid lijkt vooral veroorzaakt te worden door beangstigend of angstig en extreem intensief gedrag van ouders. Die kinderen zitten als het ware gevangen in het onoplosbare probleem dat hun hechtingsfiguur zowel een bron van troost en veiligheid is, als van stress en angst (IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg, 2010). Verder onderzoek hiernaar liet bijvoorbeeld zien dat bepaald soort gedrag van de ouder zoals teruggetrokken of afwezig gedrag, een bulderende stem, een aanvalshouding of ruwe behandeling, desorganisatie van gehechtheid op kan roepen.

Verder blijkt de gehechtheidtheorie ook gedeeltelijk te kunnen voorspellen welke mensen gevoeliger zijn voor psychische klachten en traumatische gebeurtenissen (IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg, 2010). Uit verschillend onderzoek bleek dat veilig gehechte kinderen later beduidend minder kans hadden op psychische klachten dan kinderen met andere hechtingstijlen. Kinderen met een gedesorganiseerde hechtingstijl hadden het vaakst last van allerlei psychische klachten.

Als we een oorzaak weten van psychische klachten betekent dat helaas niet direct dat we ze ook met therapie goed kunnen behandelen. Wat zou therapie kunnen bijdragen in geval van onveilige hechting?

Verbeteren van gehechtheid door therapie
Of wat heeft de gehechtheidsrelatie nu met succes van de therapie te maken? Therapeutisch gezien zou het kunnen herstellen of verbeteren van de gehechtheidrelatie kunnen helpen om psychische klachten te verminderen. Bowlby gebruikte naar mijn weten zijn eigen theorie uiteindelijk niet om daarmee een therapie te ontwikkelen. Hij gebruikte het als invalshoek om psychische klachten te verklaren en impliciet als uitgangspunt voor zijn relatie met de cliënt.

Anderen hebben geprobeerd hechting meer expliciet in de therapie te betrekken. IJzendoorn en Bakermans-Kranenburg (2010) geven op basis van hun ervaringen en onderzoek bijvoorbeeld enkele aanbevelingen voor therapie.

Ten eerste zou de therapie een veilige basis moeten scheppen voor het onderzoeken en uiten van de eigen emotionele problemen. Gehechtheid is volgens hen geen noodlot dat in de eerste jaren vast komt te staan, maar speelt levenslang een rol en kan veranderen als gevolg van nieuwe positieve ervaringen. Een sleutelingrediënt is het opdoen van nieuwe, veilige positieve ervaringen in de hechting met andere mensen. Een therapeut kan fungeren als rolmodel en nieuwe positieve gehechtheidervaringen bieden.

Ten tweede adviseren ze een juiste koppeling tussen de cliënt en de therapeut, waarbij de gehechtheidstijl van allebei betrokken wordt. Ze vonden dat dit behoorlijke invloed heeft op het proces en de uitkomst van de therapie. Uit onderzoek bleek dat een optimale match vooral bestaat als de therapeut een andere hechtingstijl heeft dan de cliënt. Therapeuten met een veilige hechtingsstijl waren op zich het best in staat om tegemoet te komen aan de behoeften van de cliënt.

In de praktijk hebben natuurlijk lang niet alle therapeuten een dergelijke stijl. Er zijn genoeg therapeuten die zelf een moeilijke jeugd als achtergrond hebben waarin onveiligheid een rol heeft gespeeld. Wat dat betreft zeggen IJzendoorn en Bakermans-Kranenbrug dat een gereserveerde therapeut met een wat vermijdende hechtingstijl heel geschikt kan zijn voor cliënten met een onveilig ambivalente hechtingsstijl.
Wat dit nog meer voor gevolgen heeft voor therapie kom ik zo op.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma. Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.

 

 

20. Veilige en onveilige gehechtheid

Hoe kan therapie genezen 20.

De ideeën van Bowlby over het hechtingsgedrag bij kinderen werden verder ontwikkeld en in de praktijk toegepast door Marie Ainsworth. Ainsworth deed onderzoek naar verschillende manieren van gehechtheid bij kinderen door een stressvolle situatie na te bootsen (Bowlby, 1980). Daarbij verlaat de moeder de kamer waar haar kind aan het spelen is. Ze laat het achter bij een vreemde en komt daarna weer terug.

In het gedrag wat ze daarbij observeerde kon ze vier verschillende manieren van gehechtheid herkennen. Ik schets ze hier heel kort.
1. Veilig gehecht: een kind dat wat gespannen raakt als de moeder het alleen laat en blij is als de moeder weer terugkomt.
2. Onveilig-ambivalent gehecht: een kind dat het moeilijk heeft als de moeder weggaat en de moeder weer opzoekt als ze terug komt, maar wel negatieve emoties toont of zich afwerend of juist aanklampend en zorgbehoeftig gedraagt. Het kind heeft een soort dubbele, ambivalente houding naar de moeder met zowel heel positieve als negatieve gevoelens.
3. Onveilig-vermijdend gehecht: een kind dat de moeder negeert en niet opzoekt als ze terugkomt.
4. Gedesorganiseerd gehecht: een kind dat niet weet wat het moet doen, de moeder tijdelijk negeert als ze terugkomt, of wel opzoekt maar dan bevriest, of ander, soms vreemd gedrag vertoont waaruit blijkt dat het bang is voor de ouder.

Dit onderzoek werd zeer bekend. Het wordt nog steeds veel gebruikt om de kwaliteit van hechting bij kinderen te achterhalen. Misschien wel het belangrijkste verschil met eerdere ideeën (zie Melanie Klein) en onderzoek is dat de oorzaak van onveiligheid hier niet aan het kind of de situatie wordt toegeschreven, maar aan de opvoeder, meestal de moeder. Haar sensitiviteit voor de signalen van het kind en het al dan niet ingaan op diens behoefte aan bescherming en begrenzing vormt de basis van de gehechtheid. Veilige hechting kan ontstaan als een moeder sensitief genoeg is, de signalen van het kind snel kan waarnemen, goed weet te interpreteren, en er direct en adequaat op kan reageren.

Opvoeder als bron van stress
Dit idee dat de opvoeder niet alleen belangrijk is voor voeding en verzorging, maar ook voor het gevoel van veiligheid in het kind maakt veel uit. Het doet een veel groter beroep op de communicatievaardigheden van de ouder dan daarvoor werd gedacht.

Je kunt je voorstellen dat er vooral in de communicatie veel mis kan gaan tussen het kind en de ouders, met name bij ouders die zelf niet goed geleerd hebben om sensitief te reageren op het kind. Als een moeder bijvoorbeeld zelf onveilig gehecht is, of meer op zichzelf en haar eigen behoeften gericht is dan op het kind, zal ze minder makkelijk openstaan voor emotionele signalen. Deze belangstelling voor sensitieve communicatie tussen ouder en kind heeft in de jaren zestig en zeventig dan ook gezorgd voor een aardverschuiving in de manier waarop tegen opvoeders en de opvoeding werd aangekeken.

Hechtingsgedrag heeft ook gevolgen voor het leren omgaan met trauma’s in de kindertijd. Kinderen die iets moeilijks, angstigs of bedreigends meemaken kunnen hier makkelijker mee omgaan als er op dat moment een ouder beschikbaar is die het kind opvangt, steunt, troost en weer een veilig gevoel geeft.

Kinderen die om wat voor reden dan ook geen steun of veiligheid vinden bij hun opvoeder, zullen waarschijnlijk meer moeite hebben om een dergelijke gebeurtenis te verwerken. Zij blijven vaker of langer zitten met een dreigend gevoel van onveiligheid en zonder de ervaring dat er iemand is die hen er doorheen helpt. Deze kinderen verzinnen vaker eigen oplossingen om met de gebeurtenis om te gaan waarbij ze geen beroep hoeven doen op een ander. Ze missen daarbij feedback waardoor een bedreigende gebeurtenis ook in alle mogelijke proporties in hun fantasie kan gaan rondspoken.

Hoe belangrijk ik de hechtingtheorie vind, wordt hierdoor denk ik wel duidelijk. Er zijn ook wetenschappelijk bewijzen voor het belang van veilige hechting gevonden die ik kort wil aanstippen.

Blanchefleur Johnston    Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.
 

19. Bowlby: gehechtheid en hechtingsgedrag

Hoe kan therapie genezen 19.

Bowlby, een Britse psychiater en psychoanalyticus die leefde van 1907 tot 1990, volgde een deel van zijn opleiding bij Melanie Klein. Hij kon zich echter niet echt goed vinden in de ideeën van Klein (1975) over hoe therapie een kind kon helpen. Hij verschilde vooral duidelijk van mening als het ging over de rol van de moeder voor het kind. Zoals gezegd (vorige blog) benadrukte Melanie Klein de fantasie waarmee een kind de werkelijke relatie met anderen kleurt en invult vanuit zijn eigen emotionele verlangens. Bowlby nam daar afstand van.

Naar zijn mening reageerden kinderen op echte reële gebeurtenissen en niet vanuit onbewuste wensen of fantasieën. Zelf had hij als kind weinig aandacht gekregen van zijn ouders en werd al vroeg naar een kostschool gestuurd. Deze eigen reële en traumatische periode in zijn leven speelde daarbij mogelijk een rol.

Zijn interesse in de impact van waargebeurde situaties op kinderen werd trouwens in die tijd door andere psychoanalytici weinig gewaardeerd. Dat kun je je misschien ook wel voorstellen omdat de psychoanalytische theorie inmiddels fantastische proporties had aangenomen waarbij vooral de binnenwereld van de cliënt werd bestudeerd in al zijn wonderlijke, soms bizarre, immorele of agressieve, meestal onderdrukte behoeften.

Bovendien stelde hij de traditionele verklaring waarom kinderen aan hun moeder gehecht raken ter discussie (Bowlby, 1980). De meest gangbare verklaring op dat moment hield in dat kinderen gehecht raakten omdat ze vanwege de voeding afhankelijk zijn van hun moeder. Oftewel, kinderen worden door de voeding die ze van hun moeder krijgen steeds weer positief beloond en ontwikkelen door deze beloning een positieve, warme band met hun moeder. In zijn boek ‘Attachment and loss’ (1980) stelde Bowlby dat deze beloningstheorie, of ook wel secundaire behoeftetheorie zoals hij het noemde, de band tussen moeder en kind niet goed genoeg kan verklaren.

Nieuwe verklaring voor de band tussen moeder en kind
Mede vanuit zijn ervaringen tijdens het behandelen van kinderen ontwikkelde Bowlby tegen de stroom in een andere theorie, de gehechtheidtheorie. Hij wilde daarmee ook verschillen in gezonde en pathologische ontwikkelingen bij kinderen op een nieuwe manier verklaren (IJzendoorn et al., 2010). Hij constateerde dat hechtingsgedrag eigenlijk een evolutionaire overlevingsstrategie is om een kind te beschermen tegen vreemden en indringers. Het is een emotionele, automatische reactie om bij gevaar bescherming te zoeken bij een veilig bekend persoon (Bolwby, 1980).

Deze reactie is heel natuurlijk en automatisch, en staat in dienst van de overleving van de soort. Het gevaar is samen veel beter te hanteren en te overleven dan als je er alleen voorstaat, en de heftigheid van de angst en emoties zullen dan navenant ook minder zijn. Veilig gehechte kinderen hebben goed geleerd dat ze een beroep op een ander kunnen doen als ze zich onrustig, gespannen of angstig voelen.

Deze benadering van gehechtheid verschilde op een belangrijke manier van de oude belonings- of secundaire behoeftetheorie. Bij de beloningstheorie is het kind afhankelijk van de moeder voor zijn eten direct vanaf de geboorte. Deze afhankelijkheid neemt steeds verder af naarmate een kind ouder wordt, en uiteindelijk kan het kind voor zichzelf zorgen. De theorie van gehechtheid stelt echter dat de band tussen moeder en kind even waardevol en belangrijk blijft ook als het kind inmiddels fysiek voor zichzelf kan zorgen.

Ook de emoties die gepaard gaan met verlies van hechting verschillen fundamenteel van emoties die gepaard gaan met gebrek aan voedsel of fysieke zorg. De behoefte aan veiligheid en bescherming gegeven door een moeder kan veel grotere en heftigere emoties losmaken als er niet aan wordt voldaan dan de behoefte aan een moeder vanwege de het verkrijgen van voedsel.

Aan het gedrag van kinderen kun je volgens Bowlby merken of ze veilig gehecht zijn. Veilig gesteunde kinderen zullen contact zoeken met moeder of andere opvoeder in tijden van angst, spanning, vermoeidheid, ziekte of verdriet. De moeder of een beschermende opvoeder kan het kind helpen om met zijn emoties te hanteren tijdens moeilijke situaties. Daardoor leert het kind hoe het met allerlei emoties, lichamelijke reacties en stress kan omgaan. Het leert dat veel onplezierige reacties en negatieve emoties die als overweldigend aanvoelen uiteindelijk wel te dragen zijn en dat er iemand anders is die dat veilig kan opvangen of begrenzen.

Voor de opvoeding, voor therapie en voor de kijk op trauma’s in de kindertijd heeft dit behoorlijk grote gevolgen. Om de impact daarvan te kunnen begrijpen, zal ik ook ingaan op Marie Ainsworth, die vaak in een adem met Bowlby genoemd wordt.

Blanchefleur Johnston  Blanchefleur Johnston


Literatuur
Bowlby, J. (1980). Attachment and Loss, Volume 1, Attachment. London: Pimlico.
Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.
IJzendoorn, R. en Bakermans-Kranenburg, M. (2010). Gehechtheid en trauma. Diagnostiek en behandeling voor de professional. Amsterdam: Hogrefe.