18. Extreme zwart-wit beelden van de kindertijd

Hoe kan therapie genezen 18.

Het gedachtegoed van Melanie Klein (1975) over hoe therapie kan genezen wordt naar mijn idee beheerst door grote fantasieën in de kindertijd. Melanie Klein heeft in haar therapie een zeer grote rol toegekend aan de fantasie. Bij haar is het niet de moeder zelf die tekort geschoten is in zorg en moederliefde zoals bijvoorbeeld bij Kohut (zie blog 4, ‘contact even noodzakelijk als zuurstof’). Zij gaat er vanuit dat tekorten ontstaan omdat het kind de realiteit ziet door een bril van fantasie. Een kind kan de realiteit nog niet goed zien en heeft de neiging om die te interpreteren in een zwart-wit beeld van helemaal goed of helemaal slecht.

Op het moment dat een moeder tegemoet komt aan behoeften van het kind, ervaart het een grote bevrediging en ontspanning. Hij ziet zijn moeder die hem zoveel kan geven als heel goed en lief. Op het moment dat zijn moeder hem die bevrediging niet kan geven, wat natuurlijk regelmatig voorkomt, ziet hij haar als kwaad en slecht, en voelt zich in de steek gelaten. Hij voelt de wereld als goed of slecht al naar gelang er wel of niet aan zijn behoeften wordt voldaan.

De interne gevoelswereld wordt gebruikt om zichzelf, de moeder en de externe wereld te interpreteren. Je kunt je voorstellen dat een moeder op geen enkele manier steeds kan blijven voldoen aan de behoeften van een kind. Een kind kan kwaad worden op zijn moeder en zich daarover slecht gaan voelen op moment dat ze er niet voor hem kan zijn.

Kein nam vervolgens de positie in dat de fantasie van een kind door de minder prettige ervaringen alle contacten met anderen en vooral de moeder kleurt. Hij kan die ander vernietigen of juist idealiseren, ongeacht de persoonlijkheid van de moeder. De psychoanalytische therapie van Klein richtte zich op het bewust worden van deze fantasieën.

Genezing ontstaat door realisering en integratie van de negatieve en positieve fantasieën over de eigen plaats in de wereld, gekleurd door woede, schuldgevoelens en zelfvernietiging enerzijds, en anderzijds gevoelens van onvoorwaardelijke liefde en aanhankelijkheid. Het therapieproces bestaat uit het keer op keer beleven van dit ambivalentieconflict en de uiteindelijke integratie en vrij kunnen uiten van allerlei gevoelens. Deze doorwerking en integratie van positief en negatief gekleurde fantasieën zou je bij haar een sleutelingrediënt van therapie kunnen noemen.

Enorme fantasie en kwade neigingen
Melanie Klein kon behoorlijk ver gaan in het verklaren van gedrag door de fantasie. Ze ging er bijvoorbeeld vanuit dat een meisje de onbewuste wens heeft om een kind te krijgen van haar vader. Het niet toegeven aan deze wens door haar vader en jaloezie op haar moeder kon dan aanleiding geven tot zeer agressieve, sadistische fantasieën bij de dochter.

De penis werd kwaadaardig en destructief zodat ook haar moeder daar geen plezier van kon hebben. Deze fantasieën riepen vervolgens schuldgevoelens op waardoor de dochter ook weer de neiging kreeg om het goed te maken bij haar ouders. Op deze manier kon seksualiteit een gevaarlijk en slecht karakter krijgen en onderdrukt worden (Klein, 1975).

Aan het eind van haar leven was Melanie Klein net als Freud een stuk pessimistischer over het daadwerkelijk kunnen genezen van cliënten. Ze kreeg de ervaring dat er bij sommige cliënten een enorme weerstand bestond tegen verandering. Ze veronderstelde dat daarbij mogelijk aangeboren belemmerende of zelfs kwaadaardige eigenschappen een rol speelden. Daar wil ik liever niet aan denken. Het geloof in het goede heb ik gelukkig nog kunnen behouden.

Per vergissing gebruik ik in plaats van het woord fantasmagorisch wel eens het woord fantasmoragisch als ik aan haar ideeën denk. Dat woord heeft voor mij iets van gesmoorde, tragische fantasie, datgene wat mensen wel willen voelen maar liever voor zichzelf willen houden, een gevoel van weemoedigheid en vaag verdriet. Liefst zou ik de ideeën van Klein daar willen onderbrengen. Ze hebben iets tragisch.

Melanie Klein kende de fantasie van het kind, en de zeer persoonlijke, gekleurde waarneming een enorme rol toe. Ervaringen en trauma’s die een kind overkomen, zouden zo ook vooral het product van verbeelding en fantasie zijn. Ze hield wat dat betreft weinig rekening met invloeden van de opvoeders en de omgeving. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat ze misschien haar eigen ouders wilde sparen en daarom wat te eenzijdig bleef kijken naar verbeelding en fantasie.

Bowlby, een leerling van haar, vond dat zij te veel nadruk legde op de fantasieën van het kind. Bowlby zocht de oorzaak van psychische klachten steeds minder in die fantasieën en begon de nadruk te leggen op de gevoeligheid en ongevoeligheid van de opvoeder. Daar vind ik ook veel voor te zeggen en ik ga dan ook graag verder met de ideeën van Bowlby.

Blanchefleur Johnston   Blanchefleur Johnston

Literatuur Klein, M. (1975). Love Guilt and Reparation and other Works 1921-1945. London: Vintage.

 

Advertenties